1648-1914

250 jaar het Stadskanaal

In 2015 vieren we twee verjaardagen: 250 jaar het Stadskanaal en 400 jaar Semslinie: de eerste grens tussen Groningen en Drenthe. De geschiedenis van deze twee jubilea is nauw verweven met die van de stad Groningen.

250 jaar het Stadskanaal

1615: de Semslinie

Landmeters Johan Sems namens Groningen en Jan de la Haye namens Drenthe bepalen de grens tussen beide provincies: de Semslinie

Ten zuiden en oosten van Groningen lagen de uitgestrekte veengebieden van het Bourtangermoeras. Al in de zestiende eeuw was de stad begonnen met het laten afgraven van het veen als brandstof (turf) en met het in cultuur brengen van het afgegraven land. Alle turf moest naar de stad worden vervoerd, zodat Groningen er belastingen en tolrechten over kon heffen en lucratieve handel kon drijven. Het Bourtangermoeras lag deels in Drenthe en met dat gewest was Groningen voortdurend in conflict over het bezit van grondgebieden. In 1615 legden beide partijen zich neer bij de grens die Johan Sems namens Groningen en Johan de la Haye namens Drenthe bepaalden. Ze trokken een kaarsrechte lijn tussen Wolfsbarge bij het Zuidlaardermeer en Ter Haar, net boven Ter Apel. Hoewel er nog lang gesteggeld werd over de precieze loop van de grens rondom Ter Apel, was het grote veengebied nu verdeeld en kon de ontginning beginnen.

1762: Geheim besluit

De Stad Groningen besluit in het geheim om een kanaal te laten graven langs de Semslinie

De waterwegen in de Groningse veengebieden waren bijna allemaal in het bezit van Groningen, dat de turfhandel controleerde en goed verdiende aan de tolrechten en de handel. Daarom wilde de stad ook het Drentse veen, aan de andere kant van de Semslinie, wel door eigen kanalen leiden.

De Drenten mochten geen argwaan krijgen en zelf de spade ter hand nemen, en dus maakte Groningen gebruik van stromannen die de veencomplexen op eigen titel kochten, maar die in werkelijkheid voor de stad werkten. 'Undercover-makelaars' kochten stilletjes percelen grond op in een kilometers lang en 250 meter breed stuk veen ten noorden van de Semslinie, de zogenaamde 'zestig roeden'.

1765: Het graven begint

De eerste spade voor het Stadskanaal gaat de grond in bij Bareveld

Het Stadskanaal, in totaal 38 kilometer lang, acht meter breed en twee meter diep, is volledig met de hand gegraven. Het heeft tot 1856, bijna honderd jaar, geduurd totdat het karwei erop zat.

Eerst moest de harde bovenlaag worden afgestoken. Daarna kon er begonnen worden met de hoofdraai, de eerste sleuf. Arbeiders stonden op een rij 'op de schop' om het kanaal uit te graven. De spitters onderin moesten letterlijk 'het onderspit delven' en gooiden hun schop vol modder op de spade van een arbeider die hoger stond. Zo groeven ze zich van de ene splitting naar de volgende. Een splitting was een dam tussen twee kanaalvakken in. Was het kanaalvak uitgegraven, dan werd de splitting doorgestoken.

In de eerste jaren vorderde het kanaal langzaam, omdat Groningen andere politieke prioriteiten had, maar daarna werden en resultaten van tot vierhonderd meter per jaar bereikt. Gemiddeld vorderden de kanaalgravers zo'n tweehonderd meter per jaar.

1775: Opkomst van de aardappel

De aardappel, een relatief nieuw gewas, wordt steeds populairder als teelt op ontgonnen veengronden

Nadat de Hortus van Groningen al in 1640 de eerste Groningse aardappelen had geteeld, duurde het nog bijna een eeuw totdat het knolgewas populair werd. De aardappel werd aanvankelijk gezien als smakeloos varkensvoer, maar bleek voedzaam en gemakkelijk te telen en veroverde Noord-Nederland in rap tempo. Boekweit, het gewas dat vanouds werd geteeld op veengronden, verloor langzaam maar zeker terrein.

De aardappelen werden eerst voornamelijk gebruikt voor de consumptie, maar vanaf 1840 werd overgegaan op de teelt van de fabrieksaardappel, die meer zetmeel bevatte. De grootste initiator van de aardappelmeelindustrie was Willem Albert Scholten die rond 1845 zijn industrieel imperium begon te ontwikkelen.

1787: De eerste huizen

De eerste twaalf 'huissteden' langs het nieuwe Stadskanaal worden door de Stad verhuurd. Er komt al snel nog één woning bij en de streek krijgt de naam Dertienhuizen

Een goede manier voor Groningen om geld te verdienen aan het Stadskanaal was het verkopen en verhuren van gronden voor bewoning. In 1787 werden de eerste twaalf huizen aan het nieuwe Stadskanaal verhuurd, spoedig gevolgd door een dertiende huis, waarschijnlijk voor een stadsopzichter. De huizen stonden allemaal aan de noordelijke, Groningse zijde van het water, want de Stad wilde eigen onderdanen en geen Drenten in het gebied. Tot op heden is de zuidzijde van het kanaal minder bewoond.

De huur van de stenen huizen bedroeg 25 cent per week. De Stad wilde graag dat het gebied bevolkt werd en vroeg geen hoge bedragen. De vraag naar 'nette heemsteden' nam snel toe, maar veel arme gezinnen bleven nog lang in hutten en andere primitieve onderkomens wonen.

1802: de oudste geregistreerde 'Stadskanaalster'

De oudste geregistreerde Stadskanaalster: op 28 februari 1802 wordt Johanna Elizabeth Trip gedoopt, 'woonende op het Canaal'

De oudste gegevens over bewoners van Stadskanaal zijn niet gemakkelijk te vinden, omdat de nederzettingen nog verspreid lagen over de gemeentes Wildervank, Onstwedde en Pekela. In 1802 wordt een kind gedoopt van het echtpaar Jan Abrahams Trip en Gezina Roelfs, 'woonende op het Canaal' en dat is de eerste registratie van Stadskanaal. Een tweede vermelding laat tot 1806 op zich wachten, maar in 1810 zijn er maar liefst 66 kinderen die de eerste school bezoeken. De schoolopziener beschrijft het gebied: “Deze veenkolonie is verre van andere dorpen verwijderd; zij bestaat tot nog toe meest uit geringe bewoners van hutten en kleine huisjes bij het nieuwe veen gebouwd; onbeschaafdheid heerscht hier nog in eene groote maat.”

1815: De Koningsraai

Koning Willem I laat de Semslinie corrigeren in het voordeel van Groningen. Zijn grens wordt de Koningsraai genoemd

Rond 1800 waren onenigheden tussen Groningen en Drenthe over de veengebieden zo hoog opgelopen, dat de graafwerkzaamheden aan het Stadskanaal stil kwamen te liggen. Groningen wilde de Drentse veengebieden wel aansluiten op het Stadskanaal, maar de Drenten ervoor laten betalen. De Drenten begonnen zelf met het graven van 'monden', maar de Groningers lieten die weer dichtgooien. In 1814 bracht de koning een bezoek aan Groningen en hij zag in Stadskanaal ‘aanzienlijke voordelen aan het Fienantiewezen der Stad Groningen en eindelijk aan de welvaart van het geheele Rijk.’ Alle wensen van de Stad werden ingewilligd, de Drenten moesten meebetalen en de Semslinie werd gecorrigeerd. Ter Apel, dat sinds 1615 officieel bij Drenthe hoorde, werd weer Gronings.

Nadat de graafwerkzaamheden waren hervat, bereikte het Stadskanaal nog in 1815 de plaats van de huidige watertoren van Stadskanaal.

1856: Voltooiing

het Stadskanaal bereikt de Duitse grens en wordt voltooid

In 1856 bereikte het Stadskanaal Ter Haar en Ter Apel, terwijl een wegverbinding pas in 1868 werd gerealiseerd. Het Stadskanaal was voltooid en de omliggende veencomplexen brachten niet alleen Groningen veel welvaart, ook de nederzettingen aan het diep groeiden. In Stadskanaal-West (horend bij Wildervank) woonden in 1900 bijna drieduizend zielen en in het Onstwedder deel bijna vierduizend. Ook Musselkanaal was gegroeid.

Langs het Stadskanaal stonden moderne fabrieken, reed de langste paardentram van Europa en vestigden zich nog steeds meer mensen. Over het kanaal voeren jaarlijks zo'n 40.000 schepen op en neer, die sluis- en bruggelden moesten betalen en scheepsjagers inhuurden die met hun paard het schip voorttrokken. Cafés en winkels vestigden zich op kruispunten en handel en levendigheid nam toe. Pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw werd het weer rustig op het Stadskanaal. De turf was vervangen door steenkool en vrachtvervoer over de weg had het gewonnen van de scheepvaart.

1
Kanalen graven was handwerk. Gravers in Vledderveen poseren in 1905 op de bodem en rand van een uitgegraven 'kanaalvak'. Foto: Streekhistorisch Centrum Stadskanaal
1
Werknemers van een van de glasfabrieken te Nieuw-Buinen (1838-1967). Aan het Stadskanaal was de brandstof turf ruimschoots voorhanden, waardoor allerlei industrie er zich vestigde. Foto: Streekhistorisch Centrum Stadskanaal
1
In 1886 ontwikkelde Stadskanaalster bakker Jan Branbergen goedkope meelkoekjes voor de arbeidersklasse, al gauw 'sociaaltjes' gedoopt. Branbergens Bruintje Beerkoekjes waren vanaf 1920 ook razend populair. Foto: Streekhistorisch Centrum Stadskanaal
1
Musselkanaal groeide aan het einde van de negentiende eeuw uit tot een kruispunt van wegen, waar levendig handel gedreven werd. De 'Klapker Markt', een braderie, kermis en veemarkt, trok vele bezoekers. Foto: Streekhistorisch Centrum Stadskanaal
1
Een turfschip vaart met behulp van een een duwbootje over de Praediniussingel. Alle turfhandel verliep via de stad, die daar veel rijkdom aan overhield. Foto RHC Groninger Archieven
1
Vrouwen bij Vledderveen keren de turven zodat ze goed kunnen drogen. - Foto: Streekhistorisch Centrum Stadskanaal
1
Een hoog opgeladen turfschip in de Oosterhavensluis, ca. 1924. Turf stapelen of 'loegen' was werk voor vrouwelijke specialisten. Foto: Favier, collectie RHC Groninger Archieven
1
De sluizen in het Stadskanaal zorgden voor wachttijden, dus vestigden zich daar winkels en cafés. Bij veel sluizen was het levendig druk. Foto: collectie RHC Groninger Archieven
1
Het laatst overgebleven huisje van Dertienhuizen in 1927, vlak voor de sloop. - Foto: Streekhistorisch Centrum Stadskanaal