Borgen: kastelen van het hoge noorden

1300-1914

De Coendersborch te Nuis

Ongeveer vijfhonderd meter ten zuiden van de Nieuweweg in Nuis ligt het landgoed van de Coendersborg. De borg ligt aan het Malijkse Pad, een oud voetpad dat van Marum naar Tolbert loopt. Bij de borg gaat de naam van dit pad over in Oudeweg. Het landgoed is ongeveer twee kilometer lang en 250 tot 500 meter breed. Het ligt in een landschap waar door de veenwinning een opstrekkende verkaveling is ontstaan. Langs de wegen liggen de boerderijen naast elkaar en daarachter strekken de smalle percelen land zich uit.

De Coendersborch te Nuis
Het toegangshek naar de Coendersborch in Nuis. - Foto: Willem Jans via Wikimedia Commons

Het zuidelijke Westerkwartier ligt op een uitloper van het Drentse Plateau en loopt geleidelijk af in noordelijke richting. Ooit was het bedekt met een pakket hoogveen, dat in de zestiende eeuw voor de turfwinning werd ontgonnen. Nadat de turf was afgegraven, werd het land voor de landbouw geschikt gemaakt. De percelen werden niet, zoals elders, gescheiden door sloten, maar door houtwallen, bestaande uit allerlei struiken en boomsoorten. Naast bramen en meidoorns vinden we er elzen, berken en eiken. De houtwallen waren zo dicht dat het vee er niet doorheen kon lopen. De houtwallen leverden bovendien geriefhout voor de plaatselijke bevolking. Een dergelijk landschap wordt coulissenlandschap genoemd.

Vredewold en Fossemaheerd

Net als elders in Groningen kende ook deze streek, Vredewold, een aantal aanzienlijke boerengeslachten. Uit de heerden Fossema, Harkema en Heringhe ontstond de Coendersborch. In 1534 werd Hemko IJpens Harkema, gezworen rechter in het westerdeel Vredewold, via ruil met Sywert Fossuma, eigenaar van de Ooster Fossemaheerd.

Fossema is gesplitst gebleven in een ooster- en een westerdeel. Het westerdeel is met twee andere heerden verbonden geraakt. Wanneer de drie heerden samengevoegd zijn is niet duidelijk, maar het moet vóór 1647 zijn geweest. In dat jaar verkocht Iwo Auwema drie heerden te Nuis, namelijk Fossema “daer het hoeff ende behuisinge op staedt”, de aangrenzende Harkemaplaats en de Heeringeplaats, met behuizingen, hovingen enz. aan zijn tante Eetke Fossema, weduwe Hymersma. Alle drie de heerden werden door meiers gebruikt.

Slaags om turf

In 1668 kocht Ludolf Coenders, raadsheer in Groningen, de drie heerden van de erfgenamen van Eetke Fossema. Coenders wilde de bijbehorende venen ontginnen, maar hij kwam daardoor in conflict met de heer van Nienoord, Georg Wilhelm von Inn- und Kniphausen. Coenders liet de turf namelijk via Friesland afvoeren, terwijl de heer van Leek vond dat dat via zijn kanalen moest gebeuren. Dat leidde tot een langdurige juridische procedure die pas in 1801 werd afgesloten, vooral doordat de turfwinning ten einde liep. Dit conflict leidde zelfs in 1668 tot een veldslag tussen manschappen van Coenders en van Nienoord. Tot zijn schande verloren de mannen van Von Inn- und Kniphausen deze schermutseling.

Ludolf Coenders overleed in 1679 waardoor de drie heerden vererfden aan zijn zuster Etta Coenders, de weduwe van Iwo Auwema. Zo kwam het bezit weer in handen van de familie Fossema, die nu Auwema (of Auma) heette.

Verbouwd

Waarschijnlijk heeft Ludolf Coenders de oude Fossemaheerd verbouwd tot een edelman passend buitenverblijf. In 1699 was er namelijk sprake van een borg. Van de adellijke voorrechten zoals die bij andere borgen in de ommelanden voorkwamen, vinden we niet veel bij de Coendersborch. Er hoorden alleen het collatierecht van de kerk van Nuis, zijlrechten en jacht- en visrechten. In 1699 verkocht Etta Coenders de borg aan haar schoonzoon Oeno van Teyens. Van Teyens was kapitein in het Staatse leger. Hij stierf in 1715 en werd in Nuis begraven. Bij de boedelscheiding in 1717 verkreeg zoon Saco van Teyens de borg, die gecommitteerde was bij de landdag van Friesland. Saco van Teyens bleef in Beetsterzwaag en overleed daar in 1774. Zijn weduwe, Etta Arnolda van Besten overleed in 1785.

De borg werd nu geërfd door Oene van Teyens, ontvanger van Opsterland en na diens dood in 1801 door zijn broers en zuster Tinco (†1806), Benedictus (†1804) en Hyma (†1816). Hoewel zij in Beetsterzwaag en Oldeboorn bleven wonen, werd toch door Hyma aan de borg gebouwd. Zij liet in 1813 het herenhuis bouwen in de huidige vorm. Ook de vervening werd krachtig ter hand genomen.

Na Hyma's dood erfden de kinderen van haar broer Benedictus de borg. De erven bleven kinderloos en de laatste overleed in 1866. Het huis kwam nu in het bezit van Joachimus Lunsingh Tonckens, arts en later burgemeester van Beetsterzwaag. Na de dood van de weduwe van Lunsingh Tonckens kwam het huis in 1911 aan haar kleindochter Margaretha Wichers. Zij woonde in tegenstelling tot de eerdere eigenaars in elk geval de laatste jaren van haar leven op de borg, waar ze in 1951 stierf. Haar echtgenoot, mr. dr. Arnold Daniel Hermannus Fockema Andreae verkocht het landgoed in 1956 aan de Stichting het Groninger Landschap.

Voorgevel van de Coendersborch. - Foto: Kasteelbeer via Wikimedia Commons
Voorgevel van de Coendersborch. - Foto: Kasteelbeer via Wikimedia Commons

Beschrijving

Het huis is een statig landhuis met een classicistische gevel. De parterre heeft lagere vensters dan de bovenverdieping. Boven de deurpartij is een timpaan te zien met daarin het jaartal 1813. Het huis heeft een zadeldak met twee schoorstenen. Aan de achterzijde is over een lengte van ongeveer tweederde van de breedte van het voorhuis een tweede vleugel met een zadeldak gebouwd. Tegen deze vleugel is een vrij grote Friese schuur gebouwd, die verwijst naar de tijd dat het landgoed als boerenbedrijf werd gebruikt.  

Van de bouwhistorie is weinig aan de muren af te lezen. Het voorhuis met de tweede vleugel zijn van een vrij kleine donkere steen gemetseld. Aan de oostelijke gevel is tussen de twee bouwdelen van het huis, juist achter de regenpijp een bouwnaad zichtbaar. Aan de westzijde is er ook een verschil te zien tussen het voorhuis en de tweede vleugel. Hier sluiten de lagen stenen niet op elkaar aan. Hoewel uit dezelfde steen gemetseld is het voorhuis waarschijnlijk later tegen de tweede vleugel aangebouwd. De schuur is gemetseld met hergebruikte kloosterstenen die veel lichter van kleur zijn dan het voorhuis. In de muren van de schuur zien we veel breuksteen en stenen van verschillende grootte.

Mogelijk heeft het feit dat de eigenaren gedurende het grootste deel van de tijd niet permanent op de borg woonden, ervoor gezorgd dat er geen ingrijpende verbouwingen zijn uitgevoerd. Van de eerdere verbouwing die door Ludolf Coenders werd uitgevoerd is niets zichtbaar. Maar de naam Coendersborch gaat natuurlijk wel terug op deze eigenaar.