Wadden en water

1914-1989

'Eemshaven: het kan en het moet'

'Eemshaven: het kan en het moet', sprak de Delftse hoogleraar Prof. Ir. N. Nanninga in 1962 op een bijeenkomst van de Commercieele Club en de Stichting Noord-Nederland in Groningen. Hij was het die samen met het Groningse ARP-statenlid A.W. Biewenga een moeizaam proces in beweging bracht dat uiteindelijk de aanleg van de Eemshaven als resultaat had. Het idee voor de Eemshaven was echter niet van hen; dat was bedacht door de Groningse waterstaatsingenieur dr. ir. Johan van Veen. Over die oude plannen gaat dit artikel.

'Eemshaven: het kan en het moet'

Koningin Juliana opent de Eemshaven op 7 juni 1973 met een ruk aan de scheepsfluit. - Foto: Bert Verhoeff/Nationaal Archief

De Eemshaven werd in de jaren 1970-1973 aangelegd. De bedoeling was bij deze haven mogelijkheden te scheppen voor de vestiging van industrieën, die voor de aan- en/of afvoer van grondstoffen en producten afhankelijk zijn van grote schepen met een grote diepgang. Hiervoor leek de haven van Delfzijl op termijn niet geschikt. De geestelijke vader van de Eemshaven was Johan van Veen, in 1893 geboren op een boerderij in Hefswal, bij Uithuizermeeden. 

Na zijn studie aan de Technische Hogeschool Delft werkte hij in de provincie Drenthe aan problemen van de waterhuishouding, en in Suriname bij de Surinaamse Bauxiet Maatschappij. In 1929 trad hij in dienst bij de Rijkswaterstaat en in 1936 promoveerde hij op ‘Onderzoekingen in de Hoofden in verband met de gesteldheid der Nederlandsche kust’ (De Hoofden is een gebied gelegen in het Nauw van Calais). Al in 1945 had hij op uitgebreide schaal dieptemetingen in de Eems verricht. Hij ontdekte de diepte van de Oude Westereems en het Doekegat, geulen die vlak langs de Nederlandse kust liepen. Dit leek hem een ideale toegangsweg voor een diepzeehaven. Veel beter dan de havens van Emden en Delfzijl, die veel verder landinwaarts lagen, verscholen achter een grote zandplaat (Hond-Paap) en aan veel ondiepere geulen. De tijd was er toen echter nog niet rijp voor.

Aanleg Eemshaven

Na vele jaren van lobbywerk door professor Nanninga, Statenlid Biewenga en medestanders, waaronder de Baarnse oud-industrieel B.E. van Gelder, besloten de Provinciale Staten van Groningen in 1968 dat de Eemshaven aangelegd moest worden. De aanleg kwam gereed in 1973. Koningin Juliana verrichte de officiële opening.

Dr. Ir. Johan van Veen, aan wiens brein eerder het ontwerp van de Eemshaven ontsproot, maakte dit echter niet meer mee. Hij overleed op 9 december 1959, kort voor zijn 66e verjaardag, aan een hartaanval. Die overkwam hem toen hij per trein op weg was naar Den Haag voor een overleg met minister-president De Quay.

Eerste klanten

Aanvankelijk kende de Eemshaven weinig succes. De eerste klant kwam pas in 1976: de AG Ems begon er met het onderhouden van een passagiersdienst naar het Duitse eiland Borkum. De al bestaande ‘Butterfahrten’ van Rederij Kamstra werden verplaatst van Delfzijl naar de Eemshaven. Zij gingen door tot 1999, toen de Europese eenwording een eind maakte aan het doen van belastingvrije inkopen in internationale wateren. Ook in 1976 startte de bouw van de Eemscentrale.

Lang lag de Eemshaven er leeg bij. In 1983 kwam de Japanse olietanker ‘Aiko Maru’. Deze als gevolg van de toenmalige oliecrisis tijdelijk opgelegde tanker, met een lengte van 365 meter en 430.000 ton draagvermogen, lag er tot in 1988 voor anker. In 1996 voer er weer een extreem groot schip de Eemshaven binnen, deze keer het zeer luxueuze cruiseschip ‘Galaxy’, dat op de Meyer Werft in Papenburg was gebouwd. Dit cruiseschip werd in de Eemshaven afgebouwd.

<p>&nbsp;Links: een nog lege Eemshaven in juni 1979. (Foto: Aerophoto Eelde). Rechts: in de Julianahaven ligt de opgelegde tanker &lsquo;Aiko Maru&rsquo; (Foto: Auke Visser)</p>

 Links: een nog lege Eemshaven in juni 1979. (Foto: Aerophoto Eelde). Rechts: in de Julianahaven ligt de opgelegde tanker ‘Aiko Maru’ (Foto: Auke Visser)

De eerste plannen: Plan Voslamber en Doekegat-plan

In de jaren 1950 werd langzaam iets bekend van het plan van Van Veen voor een nieuwe haven aan het Doekegat. Door het vroegtijdig overlijden van Van Veen (1959) nam de toenmalige havenmeester L.T. Voslamber op zich dit plan te promoten. Hij schakelde voor de uitwerking van dit plan de hulp in van vier studenten aan de Technische Hogeschool te Delft, waaronder zijn eigen zoon. In hun afstudeerontwerp ‘Verslag van het vooronderzoek betreffende het ontwerpen van een industriehaven in het Eems estuarium’ kwamen de studenten evenwel tot de conclusie dat de locatie aan het Doekegat ongeschikt was voor een grote haven. Een ander, ook door de studenten onderzocht plan, voorzag in het aanleggen van een dam over de zandplaat Hond-Paap heen, van Oudeschip naar Oterdum. Achter deze dam zou een groot terrein voor zowel industrievestiging als recreatie beschikbaar kunnen komen. De haveningang kwam daarbij direct aan de diepe geul Oostfriesche Gaatje te liggen.

Voor het verbeteren van de havenfunctie van Delfzijl kwamen er meerdere plannen van de tekentafel. Daarbij was een plan met een binnendijkse vaarverbinding van een nieuwe haven aan het Doekegat door de Bocht van Watum naar de haven van Delfzijl. Dit was gebaseerd op schetsen van Johan van Veen, en werd het Doekegat-plan genoemd. De verdere ontwikkeling van deze plannen verliep moeizaam. Dit had hoogstwaarschijnlijk te maken met de al lang bestaande ‘grenskwestie’ in de Eems. De havenplannen zouden gerealiseerd moeten worden in gebied waarop Duitsland toen territoriale aanspraken maakte.

<p>Schetsen van het Plan Voslamber (links) en het Doekegat Plan (rechts). - Bron: Nieuwsblad van het Noorden, 19 december1962</p>

Schetsen van het Plan Voslamber (links) en het Doekegat Plan (rechts). - Bron: Nieuwsblad van het Noorden, 19 december1962

Andere havenplannen

Als onderdeel van het na de stormramp van 1953 ontwikkelde ‘Deltaplan’ zouden ook de dijken van de provincie Groningen versterkt worden. Daarbij ontstond het plan om van de gelegenheid gebruik te maken om meteen maar een nieuwe dijk te leggen tussen de geplande afsluitdijk van de Lauwerszee (afsluiting gereed in 1969) en de Eems. Daarmee zou langs de noordkust van de provincie Groningen een strook kwelders en landaanwinningswerken worden ingepolderd waarin sinds 1930 ca. 50 miljoen gulden was geïnvesteerd. De aanleg van de Eemshaven zou een onderdeel van dit grote project kunnen worden.

Toch werd dit plan niet uitgevoerd. Na het advies van de ‘Waddenzeecommissie’ in 1974 besloot de regering dat na de afsluiting van de Lauwerszee (gerealiseerd in 1969) niet nog meer delen van de Waddenzee zouden worden ingedijkt. De aanleg van de huidige Eemshaven voldeed niet geheel aan dit besluit omdat toch een deel van de bij laagwater droogvallende wadplaten zou worden omgevormd tot havengebied. Een plan dat los stond van inpoldering van de strook landaanwinning en wad langs de kust, is het Uithuizer wadplan. Dat had zelfs een vaarverbinding met Noord-Groningen.

Plannen voor de Eemshaven

Op de voorpagina van het Nieuwsblad van het Noorden van 20 december 1962 zien we een vurig pleidooi van Prof. Ir. Nanninga: ‘Eemshaven: het kan en het moet’. In dit krantenartikel – drie jaar na het overlijden van Johan van Veen – worden drie ontwerpschetsen gepresenteerd. Het grootse plan voorziet in een haveningang ongeveer halverwege de huidige Eemshaven en het eiland Rottumeroog. De ontworpen haven ligt hier direct aan de diepe Oude Westereems. Een driehoekig stuk van het Groninger Wad zou ingedijkt worden, onder andere om ruimte te maken voor enkele grote havenbekkens.

Professor Nanninga presenteerde ook een meer bescheiden plan. Het goedkoopste plan behelsde naast de indijking van een stuk Waddenzee niet meer dan een voorlopige havenvoorziening. Uitbreiding van dit plan met havenbekkens zou in een fase II naar behoefte kunnen worden uitgevoerd, zo was zijn gedachte. Al deze plannen hadden gemeen dat de haveningang gelegen was aan de Oude Westereems, dus niet aan het Doekegat, dat de voorkeurslocatie van Van Veen was. Toch werd er in 1968 voor gekozen om de Eemshaven aan te leggen grenzend aan het Doekegat

Epiloog: De mens Van Veen

Van Veen wordt beschreven als gesloten en stug, bescheiden maar onverzettelijk, veeleisend voor zichzelf en zijn medewerkers. Hij was een solist, die bijzonder fel en scherp zijn plannen verdedigde. Het uitstellen van beslissingen ergerde hem, evenals het feit dat Rijkswaterstaat pas met de uitvoering van plannen kon beginnen nadat de politieke besluitvorming was afgerond. Dat duurde hem veel te lang. Vooral binnen de Rijkswaterstaat laaiden conflicten rondom zijn persoon en ideeën op. Zijn te pas en te onpas geuite ideeën over te lage dijken en kans op superstormen werden kort na de oorlog niet op prijs gesteld, omdat toen de prioriteit lag bij de wederopbouw van het land.

Zijn kritische meningen publiceerde Van Veen in 1955 onder het alias ‘Dr. Cassandra’, pseudoniem van een expert op het gebied van dijken, die al sinds 1937 waarschuwde voor de te lage dijken in Zuidwest-Nederland. De naam Cassandra had hij ontleend aan de mooie dochter van Priamos, koning van Troje. Zij had de gave de toekomst te voorspellen en waarschuwde tegen het binnen de stadsmuren halen van het Paard van Troje. Maar zij had tevens het ongeluk dat er nooit naar haar voorspellingen werd geluisterd. Van Veens plan voor een zeehaven aan het Doekegat kwam er uiteindelijk wel omdat er naar Professor Nanninga en andere pleitbezorgers wel werd geluisterd.

<p>Koningin Juliana opent de Eemshaven op 7 juni 1973 met een ruk aan de scheepsfluit. - Foto: Bert Verhoeff/Nationaal Archief</p>

Koningin Juliana opent de Eemshaven op 7 juni 1973 met een ruk aan de scheepsfluit. - Foto: Bert Verhoeff/Nationaal Archief