Verhalen uit de regio

1914-1989

Johan van Veen voorzag de Watersnoodramp van 1953

In 1717 trof de Kerstvloed de provincies Groningen en Friesland en de kustgebieden van Duitsland en Denemarken. Dijken braken, het achterliggende land kwam onder water te staan en er vielen alleen al in Groningen bijna 2300 slachtoffers. Een soortgelijke stormvloedramp voltrok zich in 1953 in Zeeland. Evenals destijds in Groningen waren de Zeeuwse dijken verwaarloosd en evenals Thomas van Seeratt in 1717 werd de Groninger Johan van Veen niet serieus genomen toen hij daarvoor waarschuwde.

Johan van Veen voorzag de Watersnoodramp van 1953

Dr. Johan van Veen presenteert het Deltaplan in 1953. – Foto: Rijkswaterstaat, Den Haag

Geboren op 21 december 1893 op de polderboerderij Dwarsweg 52 te Uithuizermeeden, groeide hij vanaf zijn derde jaar op aan de Hefswalsterweg 43. In de Groninger klei was hij altijd in de weer met dammetjes, geultjes en waterstromen. Dat zou later zijn levenswerk worden. Van Veen doorliep de hbs in Warffum en Assen, waarna hij in 1919 aan de Technische Hogeschool Delft in de richting civiele techniek afstudeerde.

Hij vond werk in Drenthe, waar men de opbrengst van de landbouw wilde verhogen door een betere afwatering van landbouwgronden. Nederland bleek in de Eerste Wereldoorlog te afhankelijk te zijn van voedselvoorziening vanuit het buitenland. Zijn voorstellen werden uitgevoerd als werkverschaffingsprojecten.

In 1926 zegde hij Drenthe vaarwel en na twee onprettige jaren in Suriname en een kortdurende baan bij de Amsterdamse brandweer, trad hij in 1929 in dienst van Rijkswaterstaat bij de Studiedienst van de Zeearmen, Benedenrivieren en Kusten, waar hij tot zijn dood bleef werken.

Onderzoek

Daar deed hij voornamelijk onderzoek naar kustverdediging, getijdenbewegingen en verzilting. Hij vond dit dermate interessant dat hij een aanbod voor een hogere functie afsloeg. Hij publiceerde, behalve zijn proefschrift, waarvoor hij een gouden erepenning van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte kreeg, een groot aantal rapporten.

De zoetwatervoorziening van Delfland was zorgelijk en om verdere verzilting tegen te gaan stelde Van Veen in 1937 voor de Brielsche Maas af te sluiten, zodat er een zoetwaterboezem zou ontstaan en de kustlijn een stuk korter zou worden. Dit gebeurde pas in 1950.

Zijn onderzoeken wezen bovendien uit dat de zwakke en te lage Zeeuwse dijken niet bestand waren tegen stormvloeden. Daarom werd in 1939 de Stormvloedcommissie opgericht. Zowel het voorlopige (1940) als het definitieve rapport in 1946 beschreef de kritieke toestand van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse dijken en stelde voor om behalve de dijken te verhogen ook de zeegaten af te sluiten.

Van Veen hanteerde een alternatieve berekeningsmethode die niet overal weerklank vond: men geloofde niet dat zijn berekeningen juist waren. Ondanks de rapporten waarin hij de ernst van de situatie beschreef, dacht men dat het niet zo'n vaart zou lopen. Zo besloot weekblad Elsevier in 1952 een interview met hem niet te publiceren om geen 'onnodige’ paniek te zaaien.

Toch kreeg de Studiedienst begin december 1952 opdracht om afsluiting van de zeegaten tussen Walcheren en Voorne te bestuderen. Op 29 januari 1953 werd de opdracht tot afsluiting ondertekend. Twee dagen later voltrok zich de Watersnoodramp in Zeeland.

Dr. Cassandra

Eigenlijk was Van Veen verbaasd. Hij had verwacht dat heel Zuid-Holland zou zijn verdronken, want de dijken waren daar nog slechter. Hij schreef: 'Maar toch, ik weet hoe dicht heel Nederland bij zijn totale ondergang was.'

Omdat Van Veens plannen voor de afsluiting al klaar lagen, kon de direct in februari ingestelde Deltacommissie in mei 1953 al de eerste adviezen presenteren. Het eindrapport werd in december 1955 naar de Kamer gestuurd. In mei 1958 werd de Deltawet aangenomen.

Zijn eigenlijke plan ging nog veel verder: onder het pseudoniem Dr. Cassandra ontvouwde hij zijn oorspronkelijke idee om de 'kusten te sluiten’ vanaf de Oosterschelde tot de Dollard. De Nieuwe Waterweg zou open blijven en de Waddenzee zou worden drooggelegd.

Rotterdam

Maar dit was niet alles. Ondertussen zag Van Veen dat de Rotterdamse haven uitgebreid zou moeten worden. Hij stelde in zijn rapport Rotterdam-Diepzeehaven (1956) voor om daarvoor de Maasvlakte aan te leggen. Dit plan strookte echter niet met de regeringsplannen voor de aanleg van sluizen en verdween onderin een la.

Eemshaven

Van Veens laatste plan betrof zijn geboortestreek. In 1945 onderzocht hij de waterstaatkundige toestand van de Eemsmonding. Hij kwam met het idee voor een zeehaven in Noordoost-Groningen. Ook dit plan bleef nog lange tijd op de plank liggen. Pas in 1959 werd het opgepakt en uitgewerkt. Zijn laatste reis naar de minister-president maakte hij met het plan voor de Eemshaven onder de arm. Hij stierf onderweg naar Den Haag in de trein.

De onverzettelijke man die 'de stem van het water beter verstond dan de stem van Den Haag’ was uitgestreden. Hoewel hij diverse onderscheidingen ontving, werden zijn plannen pas later op waarde geschat.

<p>Dr. Johan van Veen presenteert het Deltaplan in 1953. &ndash; Foto: Rijkswaterstaat, Den Haag</p>

Dr. Johan van Veen presenteert het Deltaplan in 1953. – Foto: Rijkswaterstaat, Den Haag