Onderweg , Maand van de Geschiedenis

1945-1989

Dieren in de bus

Joop Kuipers doorkruiste in zijn jeugd de provincie Groningen per bus. Hij heeft daar nog een aantal levendige herinneringen aan, vooral als het gaat om dieren in de bus...

Dieren in de bus
Foto: Nationaal Bus Museum

Schoolreis

Als leerling van de vierde klas van de lagere school gingen wij in 1956 met stadsbus nummer 50 op schoolreis. Dat heeft nogal wat indruk gemaakt. Het was een vuurrode Leyland Tiger Cub, gebouwd bij Verheul. Hij had een crèmekleurig dak en aan de voorkant een plaatje met het merk en een afbeelding van een tijger. Splinternieuw was de bus en op de achterkant stond het wapen van Groningen.

De schoolreis ging naar de voorloper van het Dolfinarium in Harderwijk. Daar zagen we hoe een man in een wit pak met een kapiteinspet op, de zeerobben kunstjes liet doen in een soort zwembad. Maar vooral herinner ik me dat de bus behoorlijk wat belangstelling kreeg. Men verbaasde zich erover dat een stadsbus helemaal uit Groningen naar Harderwijk reed met een groep kinderen en men toonde bewondering voor het schitterende wapen dat er achterop stond.

 Dit alles maakte zo veel indruk op mij dat ik zelfs een brief stuurde naar mijn broers, om te vertellen dat ik met een stadsbus 50 op schoolreis was geweest. In die tijd voeren mijn broers op zee, ver van huis. Die brief is dan ook via buitenlandse adressen bij hun terecht gekomen. Ik geloof dat ik het idee had dat ik met deze bus een wereldreis had gemaakt.

Parkietensmokkel

Een van mijn broers kwam eens thuis van zee en meldde dat hij twee prachtige parkieten had meegenomen uit Engeland. Die waren voor mij, maar ik moest ze wel ophalen van het schip waar hij op voer. Dus ik ging op een dag mee met mijn broer. We stapten aan het begin van het Damsterdiep in de DAM-bus en reden naar Delfzijl. We stapten aan de Havenstraat uit, ik geloof vlak voor een café.

 Samen liepen we naar de haven, naar het schip waar hij op voer. Op de kade liep een man in uniform. Een douanebeambte, vertelde mijn broer. Via een smalle loopplank gingen wij omhoog om op het schip te stappen. Hij stelde mij voor aan een aantal collega’s en hij nam mij mee naar zijn verblijf. Daar wees hij mij op een kooi met twee Engelse grasparkieten met een blauwe kleur.

“Die zijn voor jou, maar je moet ze niet laten zien aan die douaneman.”
“Hoe moet ik er dan mee lopen?”
“Wel, ik zal de kooi in een kussensloop doen. Ik doe er gelijk wat vuile was omheen, dan kan moe dat wassen.”
“Waarom moet dat zo?”
“Nou, ik mag die parkieten niet aan de wal brengen. Dat is strafbaar.”
Ik schrok hevig. “En dan moet ik ze wel meenemen?”
“Je doet net of het een pongel vuile was is, niets aan de hand.”
“Dat doe ik niet. Ik wil graag die parkieten, maar ik ga niet smokkelen.”

 Zoals het vaak gaat, werd ik min of meer gedwongen ze mee te nemen. Mijn broer stopte de kooi met vuile was in een sloop en bracht mij naar de loopplank. De loopplank veerde behoorlijk door en ik vond dat doodeng, maar nog enger was het om te doen alsof er niets aan de hand was, met dat kussensloop en die parkietenkooi erin.

Ik had elastieken benen, maar liep zo voorzichtig en normaal naar beneden. De douanebeambte liep op de kade op en neer. Het zweet brak mij overal uit. Ik stapte op de kade en net op dat moment kwam hij richting mij, en de parkieten begonnen ook nog te fluiten.

Ik begon ook maar te fluiten. De douaneman stak zijn hand omhoog. Ik dacht: nu ben ik erbij! Mijn broer was in geen velden of wegen meer te zien.

“Zo jongen,” zei de douanebeambte. “Moet jij met de vuile was sjouwen?”
Ik bibberde en zei met een piepstem: “Ja, meneer.”
Hij draaide zich om en liep de andere kant op.

 Ik heb het op een lopen gezet naar de Havenstraat en zo hard had ik nog nooit gelopen. Gelukkig stond de DAM-bus stond al bij de halte. Ik ben als het ware naar binnen gestrompeld, heb een kaartje gekocht en ben zo snel mogelijk helemaal op de achterste bank gaan zitten. Nee, ik was zo bang dat ik met sloop en parkietenkooi voor de bank op de grond ben gaat zitten. Stel dat de douaneman achter mij aankwam!

Ik hijgde nog steeds, en mijn benen waren nog steeds van elastiek en mijn hart klopte in mijn keel. Opeens hoorde ik iemand aan komen lopen, ik dacht dat het de douaneman was.

“Wat nu jongen, heb je je verstopt? Is er iets?”
Ik durfde niet omhoog te kijken, nu was ik erbij, dat werd een gevangenisstraf.
“Zeg jongen, ben je niet goed geworden?”
Ik moest wel even omhoog kijken en zag de uniformpet: DAM stond er op.

Wat was ik blij! Mijn angst zakte wat weg. “Alles is nu prima meneer.”
De buschauffeur ging weer op zijn plaats zitten en reed gelukkig weg richting Groningen en ik heb, denk ik, nog wel 10 keer even gekeken of we achtervolgd werden.

Wat was ik blij toen ik aan het Damsterdiep in de stad kon uitstappen!

De DAM 154 onderweg. - Foto: Ingeborg Bennink
De DAM 154 onderweg. - Foto: Ingeborg Bennink

Bok

 In 1959 was ik lid van drumband Avanti in Groningen en wij gingen voor het eerst naar een concours. Men wilde eens zien hoe ons korps ervoor stond en of wij een prijs in de wacht konden slepen.

We moesten daarvoor met een bus naar Leens. Dat was makkelijk, want we konden er allemaal in. Het was een groene bus dus, ik denk dat het er een van de Marne was. Ieder nam zijn instrument mee naar binnen, maar er was een probleem: de buschauffeur protesteerde tegen het naar binnen brengen van onze mascotte: een grote witte bok met horens wilde hij er niet in hebben!

Na heel veel heftig gepraat door de leiders van onze drumband ging de buschauffeur akkoord. Wij hebben met z’n allen de bok erin getild via de nooduitgang en rechts achterin de bus gezet.

Onderweg liet hij merken dat hij de reis niet leuk vond door behoorlijk te mekkeren.

Toen we in Leens waren aangekomen, gingen we er allemaal weer uit met onze instrumenten en de leiding haalde de bok eruit. Maar daar kwam de buschauffeur met een boos gezicht: voor hij met de bus vertrok moesten we eerst alle bokkenkeutels opruimen, anders haalde ons niet weer op.

Gelukkig is het goed gegaan, maar ga nooit met een bok op reis.

Slokje op

Mijn zwager, buschauffeur bij de GADO, ging eens naar de paardenmarkt in Zuidlaren. Netjes met de bus, want als chauffeur mocht hij gratis meerijden.

 Na een tijdje over de markt gelopen te hebben werd hij dorstig en nam wat biertjes. Helaas: hij had al snel een beetje te veel drank op en een handige handelaar presteerde het om hem een pony te verkopen. Het beest was eigenlijk niet duur en mijn zwager dacht: “Die pony word ik wel weer kwijt.”

Maar hij was met de bus gekomen, dus hij ging met zijn pony op weg naar de bushalte voor de Sprookjeshof en wachtte tot de bus voorreed. De deur ging open en de chauffeur riep: “Dan kun je wel ook chauffeur wezen, maar dat betekent nog niet dat je een pony mee de bus in kan nemen.”

Maar mijn zwager kreeg het toch voor elkaar (misschien wel met steekpenningen) een hij loodste de pony de bus in, achterin was ruimte genoeg, vond hij.

In zijn woonplaats stapte hij met zijn pony weer uit en liep naar huis. Daar aangekomen kwam hij met een dronken kop het huis binnen en zei tegen zijn vrouw: “Ik kruip in bed, achter het huis staat een cadeautje voor jou. Laat je die straks even uit?”

 De bus, voor meer dan alleen maar gewone reizigers.