Onderweg

1914-1945

Damster Auto Maatschappij

Toen in het begin van de twintigste eeuw de auto en motor steeds meer in opkomst kwamen, zag de Appingedamster ondernemer Pieter Smith Tzn hier een grote toekomst in. Zijn winkel in huishoudelijke artikelen, fietsen en naaimachines breidde hij dan ook in 1910 uit met de verkoop van motorrijwielen. In 1914 kocht hij een auto en verhuurde hij deze aan zijn klanten. De vooruitstrevende ondernemer wilde echter meer. 

Damster Auto Maatschappij
De oude DAM154 voor de garage in Appingedam - Foto: De Verhalen van Groningen

Met een zevental notabelen uit Appingedam richtte Smith op 6 april 1920 de Damster Auto Maatschappij, kortweg DAM, op. Het bedrijf verhuurde, verkocht en repareerde motorrijtuigen aan hun pand aan de Wijkstraat in Appingedam.

Geen tram en geen trein

Toen in 1920 bleek dat de plannen voor een tramverbinding tussen Groningen – Appingedam – Delfzijl v.v. niet door zouden gaan en de spoorlijn Groningen – Roodeschool niet werd doorgetrokken naar Appingedam en Delfzijl, besloot de DAM een autobussenlijn op te zetten. Op het chassis van een tweetal Fords werd een carrosserie gebouwd, die elk plaats boden aan twaalf passagiers. Later kwam er een derde bij. Met steun van de overheid exploiteerde de maatschappij in 1921 drie lijnen:

Appingedam – Slochteren – Hoogezand v.v.
Appingedam – Bierum – Spijk v.v.
Appingedam – ’t Zandt – Uithuizermeeden v.v.

Toen directeur Smith hoorde van de plannen van een concurrent voor een buslijn Appingedam – Groningen v.v. , zette Smith snel ook deze lijn op. Deze lijn was zeer succesvol, ondanks het feit dat in 1922 een bus van de DAM in het Damsterdiep belandde, waarbij één van de passagiers aan haar verwondingen overleed.

In de loop der jaren werd het aantal lijnen en bussen uitgebreid en verbeterd. Toen in 1926 de Wet Openbare Vervoermiddelen van kracht werd, had de DAM voor haar lijnen vergunningen nodig van de Provinciale Staten. Ondanks de sterke concurrentiestrijd met de Nederlandse Spoorwegen en kleinere busondernemingen, wist de DAM wel steeds haar vergunningen te behouden.

Strijd

Het volgende decennium kenmerkte zich voor DAM door nog meer strijd. In de eerste plaats met de gemeente Groningen. Op 1 januari 1930 mochten er opeens geen bussen meer in de binnenstad rijden. Toen die morgen de chauffeur van de DAM-bus (volgens dienstregeling) richting de Grote Markt reed, werd hij aangehouden en zelfs meegenomen naar het politiebureau. Een juridische strijd was het gevolg, waarbij de gemeente door de rechter in het ongelijk werd gesteld. Uiteindelijk kreeg de DAM van de gemeente een standplaats aan het Gedempte Zuiderdiep.

Hoge Raad

Het tweede conflict dat de DAM kreeg, was met de D-G taxi’s, waarbij D-G voor Delfzijl-Groningen stond. De taxi’s reden in juni 1933 dezelfde route naar Groningen als de DAM en stopten ook bij dezelfde haltes. Met een gelijke ritprijs, maar met een veel luxere en snellere auto, won de taxionderneming snel terrein. De DAM verlaagde noodgedwongen haar tarieven met 25-30% en spande een kort geding tegen de onderneming aan, wat uiteindelijk in 1934 tot bij de Hoge Raad werd uitgevochten. DAM werd in het gelijk gesteld: de taxi’s kregen een verbod om de route nog te rijden.

Naast een busmaatschappij was de DAM ook nog steeds een bedrijf voor verkoop en reparatie van auto’s en autobussen. Een toenemende vraag naar trailers, zorgde ervoor dat de DAM deze in eigen beheer ging bouwen. Niet zonder succes, want in 1934 bouwde men een trailer met een laag eigen gewicht, maar met hoog laadvermogen, die in heel Nederland werd verkocht.

Ruim zestig jaar

In de Tweede Wereldoorlog had het bedrijf het zwaar: bussen werden gevorderd en materialen en brandstof werden schaars. Om de bussen te kunnen laten rijden, ontwikkelde de DAM een speciale gasgenerator. Na de oorlog ging het weer beter met het bedrijf. Doordat steeds meer mensen over eigen vervoer beschikten, moest er echter eind jaren ’60 wel gereorganiseerd worden en uiteindelijk werd de busdienst verkocht aan de GADO. De trailerfabriek en de garage gingen als zelfstandige onderneming verder en deze breidde zich uit naar Winschoten en Delfzijl. Door de economische crisis begin jaren ’80 raakte het bedrijf echter in dusdanig ernstige financiële moeilijkheden, dat in 1983 het faillissement werd uitgesproken. Het was het einde van ruim 60 jaar DAM in Appingedam.