Van Adorp tot Zuurdijk

1945-1989

De opgestoken vinger

Op 25 augustus 1945 was met de capitulatie van Japan, ook in het Verre Oosten, een einde gekomen aan de Tweede Wereldoorlog en aan de ontberingen in de Jappenkampen. Mijn moeder keerde, uit het voormalige Indië, met mij terug naar haar geboortestreek, een boerendorp in het Westerkwartier. Ik was zes jaar.

Als woning werd ons de helft van het oude huis van de bovenmeester toegewezen. Een klein gedeelte van het schoolplein was ons achtererf. Daar was net plaats voor een linnenrek en een drooglijntje. Een hekje in de omheining gaf toegang tot het grote plein, dat ik in mijn fantasie als mijn persoonlijk eigendom beschouwde. In dit territorium, rond dat akelige gebouw, de School met den Bijbel, speelden de voornaamste gebeurtenissen uit mijn kinderjaren zich af.

Sober en karig

Nog tot in de jaren ’50 was het leven op het dorp sober en karig. Voor de ouderen was het een tijd van hard werken. In elke huiskamer trof je steevast het dressoir aan van degelijk en saai Oisterwijks eiken, de kolenkachel, een tafel met daarop het pluchen kleedje en een staande lamp met varkensleren kap. Een pendule op de schoorsteenmantel tikte traag de tijd weg… Sinaasappels en bananen waren nog zeldzame vruchten, bij hoge uitzondering wel eens op ziekenbezoek meegebracht. Eén keer in de week waren de aardappelen op tafel in gezelschap van een onnozel stukje vlees: ’s middags, stipt om 12.00 uur, want dan was het tijd voor de warme maaltijd, een ongeschreven wet. ’s Ochtends en ’s avonds een paar boterhammen: van grauw, later bruin, en alleen op zondag, wit brood. De boter daarop vooral dun uitgesmeerd en altijd minstens één zonder beleg.

Eén keer per week, op zaterdag, ging je in de tobbe, voor de grote schoonmaakbeurt. Voor de rest van de week was het voldoende, ’s ochtends onder de koude kraan je gezicht met een washandje fris te poetsen. Geen tv, telefoon of cv, geen wasmachine, stofzuiger of oven en geen… Alleen de huisarts had een aftands autootje, een VW kever. De rest ging te voet of op de fiets of ging niet. De bakker deed de ronde langs z’n klanten met een broodkorf voorop de fiets.

Huuske

En het sanitair? Achter ons huis stond een armetierig houten hutje,’het huuske.’ Een mens moet wel eens z’n behoefte doen. Welnu, die deed je daar! Een grote, zinken emmer, voorzien van een zitplank met een rond gat erin, ving de behoefte op. Voor het reinigings-ritueel lag op de plank een pakje keurig opgestapelde, vierkante knipsels van een streekkrant of de over datum zijnde, bedrukte velletjes van de Bijbelse scheurkalender.

Eenmaal per week leegde een plaatsgenoot, Dirk Drol, uitgerust met een strontkar achter een Belgische knol, de volle poepdozen. Als er te veel urine in de emmer stond, voelde je ‘op het huuske’ de nattigheid tegen je billen spatten en bij het legen van te volle emmers begon het gezicht van Dirk grimmige trekken te vertonen. Ik was een dromerig type en zat soms uren op het huuske de teksten van krant en kalender te bestuderen. Het was mijn eerste studeerkamertje, waar de grondslag werd gelegd voor mijn latere faam, een man te zijn van eruditie en ruime inzichten. Het jaar daarop kwam voor mij en andere kinderen van het dorp de eerste schooldag: de jongetjes in korte broek en klompen gestoken, de meisjes in een jurk tot over de kuiten. Ik moest naar die rotschool, die midden op míjn domein stond.

Meester Iegelswien

De meester van de lagere klassen was een klein, boosaardig mannetje met een zuinig en spits koppie, dat bezet was met borstelige, strogele haren. Een paar venijnige kraaloogjes loerden voortdurend het lokaal rond, op zoek naar mogelijke overtreders van de een of andere regel. Hij had -om welke reden weet ik niet meer- slechts één arm, waarmee hij volgens zeggen al menige brutale aap uit een der hogere klassen een mep had verkocht. Ouders klaagden nooit over zo’n ‘oorvijg’. Die hoorde bij de opvoeding en de discipline van die tijd, thuis en op school. Deze meester Iegelswien, zoals hij werd genoemd, was een uit Friesland overgewaaide rariteit. Als toppunt van vermetelheid gold het, in zijn aanwezigheid een knorrend geluid te doen horen, of hem voor te stellen, eens iemand met z’n andere arm een oplawaai te geven.

Ik 'moest'

De meester heette de nieuwelingen welkom. Hij maakte ons bekend met de schoolregels en onderstreepte het belang van goed gedrag en vlijt. Het ging allemaal aan mij voorbij. Wel was mij opgevallen, dat hij vergeten had de klasgenoten te vertellen, dat zij zich op mijn privé-terrein bevonden. Plotseling werd ik uit mijn dagdromen opgeschrikt. Tijdens de les, zei hij, moesten de kinderen altijd goed opletten en steeds naar hem luisteren. En alleen bij hoge uitzondering, als je nodig ‘moest’, mocht je het leslokaal even verlaten. Maar dan wel, nadat hij daarvoor toestemming had verleend. Een verzoek daartoe moest je aan hem kenbaar maken, door de vinger op te steken. Eén vinger omhoog betekende een ‘kleine boodschap’en dus weinig oponthoud. Twee vingers de lucht in verwees naar een ‘grote boodschap’ die meer tijd in beslag nam. Dat kwam mooi uit want toevallig ‘moest’ ik. Poepen. Twee vingers dus. Iegelswien knorde: ’nou al, jongetje ? De school is nog maar net begonnen!’, maar liet me toch gaan.

Ik belandde na enige omzwervingen bij een deur, met de afbeelding van een mannetje erop. Achter die deur trof ik een granieten gootje aan, waar een dun sliertje water, traag kabbelend, doorheen sijpelde. Dat water riep bij mij herinneringen op aan Indië, waar de kleintjes gewend waren aan de rand van de kali hun behoefte te doen. Welaan: ik streek opgeruimd neer op de rand van het gootje en boetseerde, al dromend boven het zuinige straaltje water hangend, een ferme drol. Ik nam er rustig de tijd voor: het ging tenslotte om een grote boodschap en mijn wereld stond bol van spannende dingen, waarover je langdurig kon fantaseren…

Opwinding

Het was inmiddels half elf geworden, aanvang van het speelkwartier. Troepjes stoeiende kinderen trokken joelend aan mijn deur voorbij, op weg naar buiten. Een meute opgeschoten boerenpummels verdrong zich onder luid vreugdegehuil voor mijn toiletdeur. Een van hen, die door Iegelswien op pad was gestuurd om uit te zoeken waar dat jong toch bleef, had de deur van mijn vertrekje wagenwijd opengezet, als ging het om de openingsceremonie van een lang verwachte expositie. De algemene opwinding was enorm! "Meester, meester! Dat gekke jongetje uut Indië het ’t in de geut doan. Kom gauw kiek’n, meester!"

Tumult en opschudding waren het gevolg. De haastig opgetrommelde meester tuurde met afgrijzen naar mijn bouwsel, dat als een rots in de branding daar triomfantelijk en onverzettelijk stond te prijken en zich driest overeind hield in het zielige waterstroompje. Ik had inmiddels, na zo te kakken te zijn gezet, in deplorabele toestand de plek des onheils verlaten. "Bah!" knorde Iegelswien, "wat ben jij een vies jongetje!"

Vol ontzetting bleef hij een poos naar het niet-alledaagse schouwspel staren en kermde geëmotioneerd in z’n moer’s taal: "Het is wot te sizze, wol poepe en net pisse."

Nog geruime tijd trok de bezienswaardigheid hoge bezoekersaantallen. Scharen kijklustige kinderen stonden zich te verkneuteren voor de deur van het urinoir. Elkeen wilde getuige zijn van een gebeurtenis, die je slechts eenmaal in je leven zult meemaken…

Met gevoelens van vernedering, schaamte en verontwaardiging, poetste ik in allerijl de plaat en droop geheel ontredderd af naar huis, waar mijn moeder zich over mij ontfermde. Inmiddels, zoveel jaren later, steek ik voor alle iegelswienen op de wereld nog één keer de vinger op… Jawel, mijn middelvinger.