Van Adorp tot Zuurdijk

1914-1989

Buiten spelen aan de Noorderbinnensingel

Vroeger speelden de kinderen veel buiten. Er waren veel grote gezinnen in te kleine huizen en het was heel gewoon dat kinderen buiten hun vertier zochten en vriendjes hadden. Bovendien was er nog geen tv en uiteraard ook nog geen computer.

Buiten spelen aan de Noorderbinnensingel

Jongens spelen in de herfstbladeren. - Foto: P.B. Kramer, www.beeldbankgroningen.nl (1785-17328)

Kaatsenballen

Ik ging vaak met mijn buurmeisje Marian kaatsenballen. Ze zat ook bij mij in de klas. Zij kon al erg goed kaatsen, want ze gebruikte soms drie of vier ballen. Dat wilde ik ook leren en ik mocht het met haar ballen proberen. Marian liet dit natuurlijk niet zo lang toe, dus ik vroeg mijn moeder of ik in het bazaartje -op de hoek van de Grote Leliestraat en de Kijk in ’t Jatstraat - nog twee ballen mocht kopen. Dat mocht. In de achtertuin oefende ik elk ogenblik tegen de muur van ons huis. En ik had het al aardig snel onder de knie met drie ballen.

Ook oefende ik met twee ballen het kaatsspel: ‘Karel 1’, waarbij je allerlei bewegingen moest uitvoeren. We zongen dan: ‘Karel 1 brak zijn been’ en dan moest je op één been gaan staan en verder kaatsen. Hierop volgde: ‘Karel 2 deed niet mee’, dan mocht je weer gewoon gaan staan. Bij ‘Karel 3 zat op zijn knie’ moest je 1 knie op de grond zetten en steeds zo verder alle passende houdingen uitbeelden, terwijl je wel door moest blijven kaatsen. 

Behendigheid

Marian organiseerde verder veel spelletjes en wedstrijdjes in de buurt. Bijvoorbeeld wie het snelst over het enkelsteens muurtje van de zandbak kon lopen terwijl je gehinderd werd door de prikstruiken die vlak achter het muurtje hoog opgroeiden. Je kon dan alleen zijwaarts over dat muurtje lopen op je voorvoet en zonder steun. En dat vroeg een bepaalde vorm van behendigheid. Of je moest een niet erg prikkende tak vastpakken. Maar je was een kei als je je nergens aan vast hield. Soms liepen we onder de poort - die twee huizenblokken aan de Noorderbinnensingel scheidde en toegang gaf tot de bejaardenhuisjes achter op het pleintje - over het hele smalle randje aan de muur. Dat stak halfsteens uit en het was de bedoeling er niet vanaf te vallen.Vaak waren het gymnastische spelletjes.

Knikkeren, tollen en blikspuit

Ook deden we wel knikkerwedstrijdjes, waarbij het valsspelen hoogtij vierde. Soms gingen we tollen of liepen we op stelten. Dan was het de kunst om er zover mogelijk op te kunnen lopen. Verder deden we spelletjes zoals blikspuit. Een conservenblik zetten we precies in het midden onder de poort aan de Noorderbinnensingel. Het blikgeluid resoneerde zo lekker onder de poort. De bewoners van de bejaardenhuisjes hadden niet zoveel last van ons lawaai, maar de mensen die hun kamer precies boven de poort hadden, hadden wel de pest in.

Verstoppertje

Heel spannend werd het als het begon te schemeren, of liever nog, als het echt al wat donker werd. Want dan werd verstoppertje spelen wel een beetje eng. Zoek ze maar eens als ze zich achter de bomen hebben verstopt, of achter een struik. Want daar was het nog donkerder. En de jongens wisten dat wij meisjes bang waren en maakten hier misbruik van. Ze konden je echt laten schrikken, waarna ze naar de buutplaats renden.

De jongens aan de Noorderbinnensingel speelden ’s avonds vaak met de oudere meisjes mee. Er waren talrijke vleermuizen in het Noorderplantsoen, die vaak langs ons spelende kinderen heen vlogen. De jongens wisten ons stoer te vertellen dat als er een vleermuis in je haar terecht kwam, je helemaal kaal geschoren moest worden, want de beesten lieten niet los. Nou dat was gillen voor ons meiden áls er dan een vleermuis werd gesignaleerd.

Tikkertje en stoeprandje

Ook speelden we overdag en aan het begin van de avond tikkertje, of we deden ’stoeprandje’: dan stond je tegenover elkaar en gooide je de bal tegen de stoeprand aan de overkant. Zodanig dat de bal weer terug stuiterde naar de gooier, die kon dan nóg eens gooien en dat gaf dan punten. Kon de ander de bal toch eerder vangen na het gooien, dan mocht die gooien. Toen we wat ouder werden speelden we badminton, volleybal en dergelijke.

Winterspelletjes

Ook waren er seizoensgebonden spelletjes. Als er sneeuw lag, werden er sneeuwhutten gebouwd en sleetje gereden van de bergen in het Noorderplantsoen. Het meest spectaculaire was als al onze sleeën in een lange rij aan elkaar vast werden gebonden en de voorste aan de trekhaak van de Mercedes van buurman Broens. Hij was in het begin van de vijftiger jaren de enige met een auto in de straat. Hij reed dan heel voorzichtig door de straten, onder luid gejoel van de kinderen die op hun sleetjes zaten.

En dan het schaatsen, waar ik niet zoveel aan meedeed. Ik had zulke zwakke enkels dat ik me amper staande kon houden op de houten ‘scheuvels’. Iedereen die rondom de vijvers woonde, kwam op het ijs en er ontstonden wel eens wedstrijdjes tussen bepaalde buurten. Ook was er wel ruzie, dan vonden de jongens van de Leliestraat dat zij meer rechten hadden op ijsruimte dan de kinderen van de Noorderbinnensingel. Er was vaker strijd tussen de kinderen van de beide straten. Het was ook het standgevoel wat speelde. De arbeiderskinderen uit de Leliestraat tegenover de Noorderbinnensingel kinderen van de leraar, de professor, de dominee of dokter.

Pegels plukken

Wat ’s morgens in de strenge winter erg verrassend was en mooi om te zien, waren de beijzelde ramen. Alle huizen hadden dunne enkele ramen en ondanks de centrale verwarming die wij al wel hadden, vonden we ’s morgens de ijsbloemen op de ramen. Prachtig kristalvormig en niet een die gelijk was aan de ander. Als je ze goed had bekeken, gleed je langzaam met je warme vinger over zo’n bloem heen en zo smolt alle pracht weg. En buiten plukte je de ijspegels van de vensterbank en zoog er aan. Vaak liepen we rond op straat om te zien waar de langste pegel hing. En het was heel stoer als je een lange en dikke ijspegel kon ‘plukken’ die ook nog eens heel hoog hing.

Ruzie

In de herfst maakten we hutten van bladeren, in concurrentie en competitiestrijd met de jeugd uit de Leliestraat. We moesten onze hutten echt bewaken, anders werden de bladeren geroofd. En de kinderen uit de Leliestraat waren vaak sterker dan wij van de Noorderbinnensingel. Wanneer de kinderen uit de Leliestraat mij zagen lopen, kreeg ik ook al allerlei verwensingen naar mijn hoofd. Mijn moeder had namelijk een grote hekel aan die ‘slobbers’ en liet dat altijd overduidelijk blijken. Van de weeromstuit klommen de jongens dan meestal op die muur die de brandgang van onze tuin scheidde en riepen hard in koor wat zij van mijn moeder vonden.

Mijn moeder liet zich niet onbetuigd en had vlakbij de muur een emmer met waswater staan waarin de poepluiers van mijn baby-broertje waren geweekt. Op het moment dat zij de jongens bezig hoorde om de muur te beklimmen, sloop zij naar de muur toe en wachtte tot het jongensvolk bijna op de muur zat. En net als ze hun mond open wilden doen, gooide mijn moeder de emmer met inhoud over hen heen. Gillend van schrik lieten de jongens zich weer aan de andere kant van de muur glijden en al scheldend renden ze weg. Dit heeft mijn moeder een paar keer onverwacht gedaan en het heeft wel geholpen, alleen nu moesten wij kinderen het ontberen als we op straat liepen. We moesten het niet wagen bij hen in de buurt te komen; een pak rammel was zeker de prijs.

En toch geeft het nu een herinnering die ik koester. Een buurt die leefde!

Jongens spelen in de herfstbladeren. - Foto: P.B. Kramer, www.beeldbankgroningen.nl (1785-17328)
Jongens spelen in de herfstbladeren. - Foto: P.B. Kramer, www.beeldbankgroningen.nl (1785-17328)