Oorlog in Stad en Ommeland , Boerderijen in beeld

1914-1945

Boerderij 'de Pannekoek' in de oorlog

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, woonde de familie Kruger op boerderij Pannekoek in Godlinze. De drie zussen, Aafke (1929), Trijn (1931) en Jannie (1941) hadden elk hun herinneringen aan die roerige tijden. Hun schoonzus Jopie Bultena besloot in 2014 om de verhalen van Pannekoek te verzamelen en op te schrijven. “Het begon allemaal op de verjaardag van Trijn in 2014, toen het gesprek op de oorlog kwam. Trijn vertelde toen haar verhaal en later heb ik haar gevraagd of ik het op mocht schrijven. Zij is daar toen meteen akkoord mee gegaan. Aafke was in 2013 overleden, maar haar levensverhaal was ooit opgeschreven voor het huisblad van het verzorgingshuis waar zij de laatste jaren woonde.” De drie verslagen geven samen een kleurrijk beeld van de oorlogstijd op een grote boerderij.

Boerderij 'de Pannekoek' in de oorlog
De familie Kruger, na de oorlog. V.l.n.r.: R. Kruger, Trijn, Aafke, Jannie, Jans, A. Kruger-Brouwer. - Foto: J. Bultena

Aafke Brondijk-Kruger: Hoe ik de oorlog heb beleefd

Aafke Brondijk-Kruger werd in 1929 geboren in Holwierde. Deze herinneringen zijn afkomstig uit een interview met haar door dhr. H. Middel uit Loppersum, dat hij afnam voordat ze in 2013 overleed.

Tijdens de oorlog woonden wij op de boerderij ‘de Pannekoek’, in Godlinze. Die lag een paar honderd meters van de weg en was te bereiken via een soort sintelweg. We moesten enkele hekken passeren vanwege loslopend vee. Minder bekenden kregen daardoor het idee dat daar geen toegang was. Vooral in bezettingstijd heeft dat gewerkt.

In mijn laatste schooljaar vielen de Duitse troepen op 10 mei 1940 ons land binnen. Onze ouders stuurden ons gewoon naar school, maar de meester vertrouwde het niet en stuurde iedereen weer naar huis, in afwachting van wat er verder zou gebeuren. Later gingen we gewoon weer naar school.

In Losdorp werd een zoeklicht geplaatst met de daarbij behorende bemanning. Dit ter ondersteuning van het Duitse geschut dat bij Nansum stond opgesteld. Bij nacht werd het luchtruim afgespeurd bij het horen van geallieerde vliegtuigen.

In de loop van de tijd kreeg de bezetting een grimmiger karakter. Joden werden opgehaald, militairen moesten in krijgsgevangenschap en jonge mannen moesten naar Duitsland om daar te gaan werken. We kregen toen te doen met weigeraars en de naam ‘onderduiker’ werd uitgevonden. Omdat onze boerderij vrij gunstig - dat wil zeggen: afgelegen – lag, kregen ook wij natuurlijk onderduikers. We hebben eerst een joodse onderduiker gehad, maar die is niet lang gebleven, want hij wilde iedere avond naar het dorp. Dat vond pa te gevaarlijk en daarom heeft hij hem weggestuurd.

Daarna hadden we nog verschillende onderduikers, maar we kregen gelukkig nooit huiszoeking. Wel kregen we op een gegeven moment bezoek van drie in Duits uniform geklede personen op motoren. Ze spraken Nederlands en behoorden tot de Sicherheitspolizei. Ze wilden de auto van pa ophalen, zeiden ze. Maar pa had helemaal geen auto! Wat was er aan de hand? Omdat we geen fietsbanden meer hadden, behielpen we ons met cushionbanden, die waren gesneden uit de rubberband van de maaimachine. Pa kon hen hiervan overtuigen. Kennelijk waren de heren getipt dat we vrijwel zeker een auto hadden, vanwege die banden.

Razzia in 't Zandt en Bierum

In februari 1944 vond in de gemeenten ’t Zandt en Bierum een grote razzia plaats. Er werd jacht gemaakt op onderduikers. Last daarvan ondervonden wij niet, vermoedelijk vanwege de hekken op onze toegangsweg. Aan de overkant van het Maar ging het er anders aan toe. Onderduikers uit Godlinze zochten hun heil in het veld om aan de Duitsers te ontkomen en een vrij groot aantal belandde bij vrouw Janna Pieterman, die aan de overkant van het Maar woonde.

Verder konden ze niet, dus bleven ze daar. Vrouw Pieterman maakte een grote pan soep voor deze jongens. De soep was nog maar net klaar, toen een aantal Duitse soldaten op het huis afkwam: de onderduikers zaten als ratten in de val! Ze gingen de voorkamer in, maar konden verder niets.

De Duitsers kwamen via de achterdeur naar binnen. Bij het zien van de Duitsers riep vrouw Pieterman: “Jullie komen net op tijd. Ik heb een grote pan soep staan en daar kunnen jullie gerust aan beginnen.” De geweren werden aan de kant gezet, de helmen gingen af en de ‘heren’ schoven aan tafel om zich te goed te doen aan de soep. Toen de pan leeg was, werden de helmen weer opgezet en de Duitsers verdwenen, onder dankzegging voor het lekkere eten, weer richting Godlinze. Zonder huiszoeking!

Tijdens de bevrijdingsdagen hebben we het in deze buurt behoorlijk benauwd gehad. Diverse boerderijen zijn in vlammen opgegaan. Wij hebben een voltreffer in een losstaande schuur nabij de boerderij gehad. Gelukkig ontstond er geen brand, maar mijn konijnen, die daar in de hokken zaten, waren allemaal dood.

Na de oorlog ging het leven weer zijn gang.

Trijn Slagter-Kruger: Oorlogstijd op 'de Pannekoek' in Godlinze

Herinneringen van Trijn Slagter-Kruger (geboren 1931), opgeschreven in 2015 door haar schoonzus J. Bultena-Gelderloos.

Op ‘de Pannekoek’ waren meerdere onderduikers. Dit waren o.a. Tiemen Kamphuis en Johan Meijer. De broer van Tiemen, Joop, was ondergedoken bij opa Kruger op ‘Glinzer Maiden’. Tiemen en Joop woonden in Giessenburg en waren neven van pa Kruger. Wanneer er berichten over en weer overgebracht moesten worden, liep men binnendoor over het land en zwom door het Maar, met het briefje in de mond.
Pa Kruger vertrouwde Johan Meijer niet, want hij ging vaak ’s avonds nog weg en het was niet duidelijk waar hij dan heen was. Pa heeft hem uiteindelijk weggestuurd.

Huiszoeking

Trijn en Aafke staan op een dag af te wassen en zien door het keukenraam enkele motoren aan komen rijden. Ze schreeuwen naar Tiemen dat hij snel weg moet. Pa Kruger gooit een plank over de gracht en alle onderduikers vertrekken daar over naar het land. Omdat het oogsttijd is staan er ‘hokken’ in het land en daar verbergen zij zich in.

Drie Duitsers komen binnen en willen weten of er een Engelse piloot is verborgen. Bij smid Rowaan hebben ze namelijk een stuk stof gevonden waarvan ze hebben aangenomen dat het afkomstig is van een parachute. Ze hebben Rowaan gevraagd waar dit vandaan komt en hij zei: van Kruger. Bij Kruger weten ze meteen dat dit afkomstig is van een zichtmachine, maar de Duitsers geloven dat niet.

In de woonkamer staat een spinnewiel. Er wordt gevraagd wie daarmee werkt. “Ik”, liegt moe Kruger, want het was het werk van Tiemen.

Ondertussen moeten Aafke, Trijn en Jans weer naar school. Van pa krijgen ze de boodschap mee dat ze tegen de Duitsers die de oprijlaan versperren met hun motoren, moeten zeggen dat ze naar school moeten. Dat doen ze en ze mogen doorlopen.

Dan moet pa Kruger bij de schuurdeuren met de handen omhoog staan en wordt hij onder schot gehouden. Het hele huis wordt helemaal doorzocht en onderstboven gekeerd. Omdat niet gevonden wordt wat men zoekt, wordt in de kelder alles wat ze daar vinden kapot gegooid: de weckflessen, de potten met snijbonen en kool. 
Uiteindelijk druipen de soldaten af. Er is niets gevonden…

Op school vraagt meester van Vliet waarom de kinderen van Kruger zo bleek zijn. Ze vertellen wat er aan de hand is en de meester houdt ze na schooltijd bij zich thuis. Later op de avond gaat hij op de fiets naar ‘de Pannekoek’ om te zien en te horen of alles veilig is. Dan kunnen de kinderen weer naar huis.

Het einde van de oorlog

Tegen het einde van de oorlog brengen een zus en zwager van moe Kruger, Janke en Klaas Stoppels, die op Nansum wonen, hun vee op ‘de Pannekoek’. Er is bij hun een Duitser ingekwartierd die hun vertelt dat er oorlogshandelingen op til zijn en dat zij hun vee beter in veiligheid kunnen brengen. De man is ook boer en is op hogere leeftijd opgeroepen om dienst te doen. Hij zegt tegen de familie Stoppels: “Ich habe den Krieg nie gewollt”.

De familie Bont uit Holwierde komt ook naar 'de Pannekoek'. De brug is kapotgeschoten en zij kunnen niet verder vluchten. Hun hele hebben en houden hebben ze meegenomen in een kinderwagen, waarin ook een baby ligt. Er zijn meerdere evacuees. Zo is er Cor Schijnjes uit Rotterdam en de familie Lammen uit Eijsden.

Terwijl er de laatste oorlogsdagen hevig wordt gevochten, stond Jans om de hoek van de schuur te kijken. Een granaat vloog dwars door de wagenschuur!

Bij de bevrijding deelden Canadese soldaten chocolade en sigaretten uit, vooraan op de laan bij de familie Star.

Jannie Wieringa-Kruger: Oorlogsverhalen zoals wij die beleefd hebben op boerderij ‘de Pannekoek’, B1 Godlinze

Herinneringen van Jannie Wieringa-Kruger (geboren 1941), door haarzelf opgeschreven in 2015.

Het was een geluk om daar tijdens de oorlog te wonen, want ons huisnummer was B1 en dat betekende het eerste huis van Godlinze. De weg naar het dorp liep via Losdorp, waar we bij de boerderij van Star linksaf moesten naar Godlinze. Omdat de benummering zo onlogisch was, konden de moffen ons niet zo makkelijk vinden. Wanneer er razzia’s of huiszoekingen waren, zagen wij ze meestal in de keuken wel aankomen en omdat er een lange oprit was, kon ieder op tijd een schuilplaats zoeken. Aan de andere kant van het Maar en het kleine Maar lagen de boerderijen die bewoond werden door Dallinga en de gebroeders Braam. Ook daar konden de Duitsers B1 niet vinden.

Ik ben geboren op ‘De Pannekoek’ op 30 april 1941. Dat was in de oorlog. Er was nog een rel om mijn naam, want in Godlinze wilden ze dat pa en ma er een Juliana van zouden maken, maar pa zei: “Janke” naar moe haar oudste zus. Dat was mooi genoeg.

In die jaren was er nog geen elektriciteit, dat kregen we pas in 1962.

We hadden een zwarte hond, Tommy, die altijd voor mijn kinderwagen lag. Wee hun gebeente wanneer iemand probeerde dichterbij te komen: dan vloog de hond er op af. Ik was nog heel klein toen er een Duitser naar pa en moe rende. Ze zaten te melken en ik wilde naar hen toe. Ik moest om een hek heen en dat lukte niet. Ik was in de sloot gerold, maar Tommy trok mij er uit.

De mannen die bij ons waren ondergedoken, waren blij met zo’n klein meisje. Ik mocht altijd bij hun op schoot zitten en hun foto’s, die ze in hun kleren droegen, bekijken.

De Duitsers namen pa eens mee naar binnen, omdat ze dachten dat pa een radio had. We hadden er een op batterijen, in de kamer. Ik liep steeds om hen heen omdat ik bang was dat ze pa zouden meenemen.

Ook kwamen de Duitsers wel om paarden te vorderen, maar pa zei altijd dat het veel te druk was op de boerderij en dat hij die dieren zelf moest gebruiken. Er was eens een soldaat bij die heimwee had naar zijn vrouw en kinderen. Hij wou geen oorlog, zei hij, maar hij moest van de regering.

Moe maakte in de stookhut altijd boter en kaas van de melk. De Duitsers zagen dat ook een keer en toen wilden ze alles meenemen. Maar moe zei: “dat gebeurt niet, wat moet ik mijn man en kinderen dan geven?”

Van die eerste jaren kan ik niet veel vertellen, ik was te jong om alles te begrijpen. In de hongerwinter kwamen er mensen op de boerderij. Een jongen uit Rotterdam en de familie Lammen uit Venlo. Deze mensen waren rooms-katholiek. Wanneer we gingen bidden voor het eten, deed hij zijn ogen niet dicht en dan gaf zij hem een draai om de oren. Zij sloeg een kruisje. Verder waren het heel leuke mensen. Toen ik trouwde in 1964 zijn ze nog op de bruiloft geweest! Vader en moeder Lammen zijn overleden, maar zes jaar geleden zijn we nog bij hun dochter in Eijsden op bezoek geweest. Later is ook zij overleden.

Tiemen Kamphuis was bij ons ondergedoken. Zijn vader was een broer van oma Kruger, die op de boerderij “Maiden” woonde. Zijn broer Joop was daar ondergedoken. Wanneer ze zich verveelden, gingen ze wel eens naar elkaar toe en zwommen dan over het Maar. Beiden leven niet meer, maar de vrouw van Tiemen is nog op ons 50-jarig trouwfeest geweest. Wij bezoeken elkaar nog heel getrouw.

Er waren bij ons heel veel mensen. Ze sliepen overal. Wanneer je ’s nachts naar de wc moest, dan moest je goed uitkijken, want ze lagen overal, zelfs op de grond.

Bommen

Van het laatste oorlogsjaar weet ik nog dat die grote bommenwerpers er ’s avonds aankwamen. Dan renden we naar buiten om te kijken waar ze hun bommen zouden neergooien. Dan vlogen er altijd van die jagers, van die kleine vliegtuigen die ze moesten beschermen, omheen. Een benauwd gezicht.

Op het laatst stonden er tanks op de brug bij Dallinga. Dan zag je ook een rijtje bommen richting Duitsland door de lucht. Maar er verdwaalde ook wel eens een bom en dan vloog er een boerderij ergens in de brand, onder andere de boerderij van Bierema aan de weg naar Holwierde. Hun zoon is om het leven gekomen.

Eén ding ben ik nooit vergeten: al die vluchtelingen die recht op onze boerderij afkwamen, midden door de velden vanuit Holwierde en Nansum. Dat lag de laatste oorlogsdagen in de vuurlinie. Ze hadden bijna geen kleren en ze wasten zich bij ons in de keuken. Moeke gaf ze allemaal warm drinken. Er was ook een familie met een baby. Toen heeft moeder de kinderwagen waarin ik had gelegen, meegegeven, met de dekentjes. Het was een grote zwarte kinderwagen met een berging onderin. Toen ze bij ons wat waren bijgekomen, vloog er een granaat in onze kleine schuur. Gelukkig smoorde die in de stropakken. Toen zijn ze gauw verder gegaan.

Wij moesten ’s nachts in de gang slapen, omdat daar betonnen muren waren. Met de kleren en de schoenen aan. Ik schreide, want ik wilde niet slapen met schoenen aan.

Overdag, wanneer ze weer begonnen te schieten, moest ik bij moeke komen met de doofpot. Daar gingen dan de kooltjes vuur in en dan moest ik de korf in de tuin in een holle boom zetten. Wanneer we getroffen zouden worden, kwam daar in ieder geval geen brand van. Die doofpot stond later bij Wietske Bolhuis; hij was niet meegenomen bij de verhuizing naar Godlinze. Daar heb ik veel spijt van gehad, omdat ik er veel herinneringen aan had.

Eten

Wat aten we in de oorlog? Stamppot boerenkool, stamppot snijbonen, bonensoep, snert, kapucijners, bruine bonen, hete bliksem, zuurkool, bonen uit de weck, gedroogde appeltjes (die werden gedroogd bij bakker Kraaima in Losdorp), aal en baars uit het Maar, karnemelksepap, poffert en niet te vergeten boekweitgort. We slachtten altijd een vaars of een schaap, wat er maar was. Dan kwam slager Paapst uit Godlinze, en dan maakte moeke van alles. Bloedworst, droge worst, metworst, spekjes, kaantjes met spek en stroop. Stukken schenk, die werden in de schoorsteen gehangen, dan konden de moffen ze ook niet vinden. Ook kip kon moeke lekker klaarmaken. Ja, wij hadden nooit te klagen. Op een boerderij is altijd van alles.

Mijn eerste reep chocola heb ik op de Losdorpster brug van de Canadezen, onze bevrijders, gekregen.

Het is nu ruim 70 jaar geleden dat er oorlog was. Wat een herinneringen! Al die Joden die werden afgevoerd en vergast. Al die jonge soldaten die het leven hebben gelaten voor onze vrijheid. Laten we hopen dat het hier nooit weer gebeurt!

Deze verhalen zijn verzameld door Jopie Bultena, die ruim twintig jaar getrouwd was met de derde telg en enige zoon van de familie Kruger; Jans (1933). Hij overleed in 1984 en helaas zijn er van hem geen herinneringen overgeleverd.
De eigen familie van Jopie Bultena woonde in de oorlog in Bierum. Ook over de familie Gelderloos heeft zij een verhaal geschreven.

v.l.n.r.: R. Kruger, Trijn, Aafke, Jannie, Jans, A. Kruger-Brouwer. - Foto: J. Bultena
v.l.n.r.: R. Kruger, Trijn, Aafke, Jannie, Jans, A. Kruger-Brouwer. - Foto: J. Bultena