Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1945

De familie Gelderloos in oorlogstijd

Wanneer de gesprekken op de verjaardag van een van haar schoonzussen over vroeger en de oorlog gaan, rijst bij Jopie Bultena het plan om de bijzondere verhalen van haar familie eens op te schrijven. Haar ouders hebben vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog heel wat meegemaakt.

Pouwel Lammert Gelderloos, mijn vader, werd in 1913 geboren in het Groningse Wirdum. Hij volgde een bakkersopleiding en is in Delfzijl gaan werken bij bakker Wiegman, waar hij ook in de kost was. Mijn moeder, Jacobje (Co) van de Weerd, werd in Bennekom geboren, in 1912. Zij is naar de naaischool geweest en werkte in een kledingatelier in Arnhem. Zij hebben elkaar daar in Arnhem leren kennen in 1933, toen pa in militaire dienst moest. Na de diensttijd ging pa weer werken bij zijn vorige werkgever en hij ging geregeld naar Arnhem op een gehuurde motor, eentje zonder vering. De reis was lang en soms maakte hij een stop bij familie in Ermelo.

Trouwen in de crisistijd

Van trouwen was toen nog geen sprake. Het was crisistijd en de verdiensten waren erg laag. Toen er oorlogsdreiging kwam en pa gemobiliseerd werd in Rotterdam, hebben hij en Co toch besloten te gaan trouwen. Dat was op 14 februari 1940. Ze kregen een woning aan de Karmelweg in Rotterdam. De inkomsten waren laag en de huur was bijna de helft van het inkomen. Wanneer die moest worden betaald moest moe er met de tram heen, wat ook weer het nodige kostte.        

Het bombardement op Rotterdam

Op 10 mei vielen de Duitsers Nederland binnen. Ze kregen tegenstand van het Nederlands leger. Omdat men niet van overgave wilde weten, ging Duitsland over tot het bombarderen van Rotterdam. Dat gebeurde op 14 mei 1940. Mijn ouders wisten van elkaar niet waar ze waren en ook niet of ze het hadden overleefd. Gelukkig was moe thuis en stond hun huis niet in het gevaarlijke gebied. Pa was tijdens de bombardementen waarschijnlijk in Den Haag. Er vielen ongeveer 850 doden, er werden 80.000 mensen dakloos en er zijn 24.000 huizen verwoest. Toen Duitsland dreigde ook andere grote steden aan te vallen, is Nederland op 15 mei tot capitulatie overgegaan.

Naar Bierum

De militairen werden eerst krijgsgevangen gemaakt. Korte tijd daarna mocht ieder naar huis gaan, mits zij werk hadden. Daarom heeft pa een brief geschreven naar zijn zus en zwager, Jo en Frederik Retsema in Bierum, met de vraag of er in die omgeving werk voor hem te vinden zou zijn. Het antwoord was: “Werk of geen werk, je komt hierheen.” Daar hebben ze gevolg aan gegeven, zodat ze eerst bij hun in huis kwamen te wonen, aan de Bakkersstraat. Pa vond werk bij zijn zwager die een kwekerij had, en bij verschillende boeren in de omgeving. De inwoning was niet echt een succes, dus toen er plaats kwam aan de Hereweg, bij mevrouw Winter, zijn ze daar gaan wonen, onder de voorwaarde dat moe zou helpen met het huishoudelijk werk. Nu was deze mevrouw niet echt een aangename tante, dus de tijd in die woning viel niet altijd mee.

Op 9 november 1941 werd mijn broer Jurrien hier geboren. Na verloop van tijd kwam Klaas Stuve bij pa en vroeg of het mogelijk was van woning te ruilen, daar hij in een klein huisje woonde en een groot gezin had. Het huis dat pa en moe tot hun beschikking hadden was wel groot, maar het tochtte er nogal en de ruimte was bijna niet warm te stoken. Pa en moe hebben samen overlegd en de keus was snel gemaakt: ze gingen wonen aan de Smidslaan. Een kleine, maar knusse woning, en makkelijk warm te stoken. Op 9 maart 1943 werd ik, Jopie, daar geboren.

Onderduiken in de kerk

In hetzelfde jaar, op 29 april, kwam van de bezetters de oproep aan de militairen die in 1940 hadden meegevochten, om zich als krijgsgevangene te melden voor de Arbeitseinsatz. Men zou dan tewerkgesteld worden in Duitsland. De pamfletten met de oproep werden aan lantaarnpalen en bomen bevestigd. Landelijk brak daarop de Meistaking uit.
Pa heeft zich niet gemeld en hij moest dus onderduiken. Hij heeft dat op verschillende plaatsen gedaan. In het begin zat hij op de zolder van de Gereformeerde kerk in Bierum, samen met meerdere plaatsgenoten, waaronder zijn zwager Fre Retsema. Wanneer ze boven het orgel via het luik op de zolder waren aangeland, werden er boven op het luik dakpannen gelegd. Kwamen er toch ongenode gasten, dan werden ze op die dakpannen getrakteerd.

Het was een heel gedoe om op de zolder te komen. Een ladder stond er nog niet. Op het orgel lagen een paar opstaphaken die men aan de trekstang kon hangen en zo op het orgel klimmen. Dan moest het luik omhoog gedrukt worden zodat je in de toren kon klimmen. De haken nam je mee. Boven het gewelf lag een brede plank naar het midden boven het luchtrooster. De zolder was daar breed genoeg voor enkele matrassen.

Timmerman Dijkman was koster van de kerk en wanneer er schoongemaakt moest worden zong hij: ‘Holderdebolder, we hebben een koe op zolder.’ Ook zorgde hij geregeld voor voedsel. Later, toen hij zelf ook moest onderduiken, samen met zijn knecht, klommen ook zij op de kerkzolder. Tijdens bombardementen op Emden gingen ze eens in het torentje kijken om zich te verkneukelen. Dat was niet zo verstandig, want ze werden gezien door voorbijgangers.

Luik

Het gebeurde op een keer dat er bij de buren van oom Fre huiszoeking werd gedaan. Oom Fre is zo snel als hij kon naar de kerk gegaan en wilde, omdat hij moe was van het werk, op een kerkbank gaan liggen en even slapen. Maar hij bedacht zich en klom toch naar boven, luik open, luik weer dicht. Dat was maar goed ook, want even later stonden de Duitsers voor de deur, en die was dicht. Toen zijn ze naar de deur in de achtergevel gegaan, maar ook die was dicht, dachten ze. Maar de deur klemde heel erg, alleen de onderduikers wisten hoe die deur het beste te openen was.
Wanneer pa en oom Fre naar huis wilden, dan gingen ze via die deur. Pa en oom Fre kropen dan achter de heggen en door de tuinen naar hun huis.

In de schoorsteen

Eén keer is het bijna misgegaan. Dat was tijdens de grote razzia op 16 februari 1944. Pa was thuis en had geen gelegenheid om terug te gaan. Toen is hij in de schoorsteen van de kamer gekropen. Een nichtje van mij, Jantje, was op bezoek en toen de spanning steeds hoger opliep, stuurde moe haar naar de buurman, bakker Hoeksema, om poolshoogte te nemen. Ze kreeg bonnen mee om een brood te kopen. Ze was snel terug, want in de winkel stond een Duitse soldaat. Moe dacht aan pa in de schoorsteen. ‘Dan zijn ze wel erg dichtbij,’ dacht ze. Laten we maar naar tante Jo gaan. Jantje pakte Jurrien bij de hand en moe legde mij in de kinderwagen.
Ver hoefden ze niet te gaan; na ongeveer 200 meter waren ze er al. Ook daar was onrust. Oom Fre was er niet, maar zijn persoonsbewijs lag er nog wel. Er moest een veilige plek worden gevonden. En dat lukte: in Jantjes broek (directoire) waar goede elastiek in de pijpen zat! Jantje heeft de hele razziatijd met het persoonsbewijs rondgelopen.

Koren halen

Moe wilde eens koren bij een boer gaan halen. Ze begon aan de weg naar Hoogwatum, waaraan verschillende boerderijen staan. Maar bij de één kwam ze te vroeg, bij de ander te laat, weer een ander vroeg: “wel binnen ie?” Allemaal mensen die bij dezelfde kerkgemeenschap hoorden waarbij mijn ouders ook waren aangesloten! Bij de laatste poging werd haar gevraagd of ze ook een tas bij zich had. Dat was bij de familie Elema, die niet kerkelijk gebonden was. Dit pijnlijke gebeuren is mijn moeder heel haar leven bijgebleven.

'Gooi de boudel mor kepot!'

Na de razzia vond pa het niet meer veilig in Bierum en hij zocht een andere plek. Die vond hij in Haren, bij zijn zus en zwager Giene en Tammo Hoving. Tijdens zijn verblijf daar werd het rangeerterrein in Onnen gebombardeerd. Hij klom in een boom om het beter te kunnen zien, en begon te roepen: “Tou mor jongens, gooi de boudel mor kepot!” Zijn zwager werd des duivels, omdat de veiligheid van hem en zijn gezin hierdoor in gevaar kwam. Toen tante Giene later dat jaar in het ziekenhuis moest worden opgenomen voor een operatie, is pa weer vertrokken, nu naar Winneweer, aan de Delleweg.

Winneweer

Hier woonde zijn vader en na het overlijden van opoe in 1942 waren tante Bertha en oom Jacob Laning bij opa in komen wonen. In deze woning was ruimte gemaakt voor onderduikers. Pa was daar niet de enige. Op de hooizolder waren twee slaapplaatsen gemaakt achter een ‘muur’ van strobalen. Naast het geitenhok in de schuur was een ouderwetse wc met een houten achterwand. In die wand konden twee planken er uitgetrokken worden. Daar achter liep een schuine gang naar beneden, waar een ondergrondse schuilplaats was. In die schuilplaats waren rondom banken geplaatst. Soms zaten mensen in die ruimte en ook sliepen er mensen in. Tante Bertha had daar een complete voorraad voedsel en allerlei andere zaken opgeslagen, zoals dekens, zodat de mensen het er een aantal dagen vol konden houden.

Geitje

Eén van de geitjes van opa was stapel op neef Jaap en liep hem overal achterna. Wanneer ze als kinderen speelden en zich verstopten in de sloot, dan riep hij het beestje en die wist hem altijd te vinden. Op zekere dag was het dier zoek. Pa had het beestje weggebracht om geslacht te worden. Jaap is zo kwaad geworden dat hij pa stevig tegen de schenen heeft geschopt. Pas later werd hem duidelijk dat pa in opdracht van opa handelde.

Overdag hielpen de onderduikers in de boomgaard van opa Gelderloos. Pa hielp ook in de tuin, maar was er de ene dag wel en de andere dag niet. Hij ging dan met onderduikers bij boer Schansker (woonde iets verderop) regelmatig tochten maken. Hij ging vaak op de fiets weg, o.a. naar Groningen en Bedum. Onbekend is waar hij dan heen ging, wel nam hij vaak lijnolie mee, die oom Jakob en tante Bertha gemalen/gedraaid hadden. Soms hielp pa ook mee met het malen.
Opa Gelderloos waardeerde de activiteiten van zijn kinderen niet. Hij was nogal bang uitgevallen. Dit in tegenstelling tot de ouders van oom Jakob, die een molen hadden in Garrelsweer. Zij hielpen, waar mogelijk, in het verzet. Pa is, samen met een andere onderduiker, daar ook eens een paar dagen ondergedoken geweest. Ze sliepen op een zolder in de molen. Van daaruit konden ze toen alles zien wat er aan de hand was, want de molen en het huis stonden midden in het land, en de landerijen stonden onder water.

Bevrijding

Nadat Winneweer bevrijd was is pa op weg gegaan naar Bierum, waar nog steeds oorlogshandelingen plaats vonden. Hij wilde zijn gezin in veiligheid brengen, en weer terug naar Winneweer gaan.

Moe heeft mij in de kinderwagen gelegd, Jurrien mocht meewandelen en af en toe ook in de kinderwagen zitten. Pa nam wat bagage mee op de fiets. Moe was hoogzwanger van broer Paul en ze liep op haar trouwschoenen. Daar was ze erg aan gehecht en die wilde ze niet achter laten. Er zal niet veel van de schoenen zijn overgebleven, want de wegen waren niet erg begaanbaar. Eerst moesten ze naar Spijk en dan naar Losdorp, omdat de bruggen waren opgeblazen. In Losdorp kon men bij de brug over een twee stenen breed voetpad langs het water naar de andere brug en dan weer verder op de Godlinzerweg naar Leermens.

Chocolade

Daar woonde een broer van opoe Gelderloos, Menne Wierenga, en daar vond men voorlopig onderdak. Het gezin van tante Jo en oom Fre was er ook, zij hadden dezelfde route gelopen. In Leermens kregen we van de Canadese soldaten chocolade, een traktatie! Wanneer de reis verder is gegaan naar Winneweer weten we niet. Ook niet, wanneer we terug zijn gekomen. Het zal allicht voor de geboorte van broer Paul zijn geweest, op 6 juni 1945.

NSB-huis

Omdat het huis aan de Smidslaan niet meer beschikbaar was zijn pa en moe na terugkomst in Bierum gaan wonen aan de Krommeweg. In een huis waarin de familie Froma woonde. Pa Froma en enkele zonen waren NSB'ers en waren nu geïnterneerd. In deze woning is zus Hilda geboren, op 5 augustus 1946. Achter de woning was een bessentuin. Pa heeft die altijd verzorgd en wij hebben daar heerlijk gespeeld, ook met de kinderen van de buren. 

Toen de familie Froma terug kwam en weer in het huis wilde gaan wonen, moesten wij vertrekken. Wanneer dat is geweest is ons niet bekend. Wat we wel weten is dat ons gezin toen in een woning aan de Hereweg heeft gewoond. Pa en moe hadden zich ingeschreven voor een woning aan de Luingaweg, maar omdat die nog afgebouwd moest worden konden ze daar nog niet terecht. Toen de woningen opgeleverd werden (eind mei, begin juni 1948) kon ons gezin als eerste een woning betrekken. Ik weet nog dat de vloer in de keuken nog maar gedeeltelijk gelegd was. Wij als kinderen zaten op de vloer met de benen in het nog niet afgesloten gedeelte om een broodje te eten. De reden waarom wij er zo snel gingen wonen was omdat broer Rudie daar op 14 juni 1948 werd geboren.

Verhuizen?

Moe was al dat verhuizen meer dan zat. Zo zei ze tegen pa: “Ga daar es even zitten,” (Moe sprak geen Gronings) “En even goed luisteren. We zijn nu in onze zevende woning. We wonen hier goed en ik verhuis niet weer!” Jaren later voelde pa er wel voor om te emigreren en hij vertelde dat aan moe. Het enige wat ze zei was: “Ga daar es even zitten.” Pa wist genoeg!

 

 

Onbekend verzetsverleden

Enkele jaren terug kreeg ik via een verre achterneef een document toegestuurd. Niemand kon vertellen wat het betekende of waartoe het diende. Uiteindelijk hebben de Groninger Archieven duidelijkheid gegeven. Het blijkt een Systeemkaart van verzetsbetrokkenen van het OVCG (het Oorlogs-en Verzetscentrum Groningen). Op de kaart staat ook dat pa tijdens zijn verblijf in Winneweer L.O. werk heeft gedaan. L.O. was een landelijke organisatie die hulp bood aan onderduikers. 

Het blijkt dus dat pa in het verzet heeft gezeten. Daar is bij mijn weten nooit over gesproken. Ook mijn zus en broers is hiervan niets bekend. Was dat hetgeen hij deed wanneer hij vanuit Winneweer regelmatig tochten maakte met onderduikers en/of onderweg was naar Groningen of Bedum? Wij zullen het wel nooit weten.

Met dank aan: Jurrien Gelderloos, Tuk; Jurrien Hoving, Haren; Gerhard Retsema, Warffum; Jaap Laning, Apeldoorn; J. Olinga, Bierum; A. Pauw-Dijkman, Bierum; RHC Groninger Archieven en vele anderen.