Groninger Vrouwengalerij

Albarta ten Oever: een schilderende kunstverzamelaarster

Albarta ten Oever (1772-1854) was in de achttiende eeuw één van de weinige vrouwelijke schilders in Groningen. Toch werd ze vooral beroemd door haar kunstcollectie. Rijkelui van Londen tot Sint-Petersburg wilden haar verzameling van haar overnemen, totdat een externe commissie de echtheid van sommige werken in twijfel trok. Ondanks die controverse stond Ten Oever bekend als een bekwaam kunstenares en een aantal van haar zelfgemaakte doeken hangt tegenwoordig in het Groninger Museum.

 

Albarta ten Oever was het enige kind dat voortkwam uit haar ouders’ huwelijk. Nadat haar vader stierf (nog voor ze geboren werd), hertrouwde haar moeder en dit leverde Ten Oever drie halfzusjes en een halfbroertje op. Als gezin woonden ze samen in Groningen. Van jongs af aan kreeg Ten Oever tekenlessen, daarna werd ze leerlinge op de kunstacademie Minerva.

Kunstcollectie

Over geld hoefde Albarta Ten Oever zich nooit het hoofd te breken, want haar vader en stiefvader waren allebei koopmannen en haar opa was burgemeester van Appingedam. Toen ze zes jaar oud was ontving ze bovendien een significante erfenis van haar oma die onder meer bestond uit contant geld en onroerend goed. In 1798 trouwde Ten Oever op 17-jarige leeftijd met de 41 jaar oude weduwnaar Pieter Roelfzema, eveneens een niet armlastige heer. Roelfzema was een vooraanstaand burger van Groningen en lid van het stadsbestuur.

Het echtpaar woonde in een chique huis aan de Poelestraat. Ten Oever en haar man deelden een interesse in schilderkunst. Het echtpaar bouwde samen de kunstcollectie van Roelfzema uit tot een verzameling van honderden schilderijen, voornamelijk uit de zeventiende- en achttiende eeuw. De verzameling werd landelijk beroemd en kunstliefhebbers uit binnen- en buitenland kwamen het echtpaar bezoeken.

 

Eigen werk

Doordat Albarta ten Oever er financieel warmpjes bijzat, had ze voldoende vrije tijd om zelf ook te tekenen en schilderen. Ze maakte voornamelijk Groningse en Drentse landschappen in de stijl van beroemde zeventiende-eeuwse schilders. Samen met haar man had ze een buitenverblijf in de kop van Drenthe waar ze, net als thuis in Groningen, aan haar kunst kon werken. Naast de landschappen die ze schilderde, maakte ze portretten en kopieën, onder andere van het werk van Paulus Potter. Veel exposeerde Ten Oever niet, maar op de tentoonstelling van Levende Meesters in 1818 en 1841, respectievelijk in Amsterdam en in Groningen, waren er landschapsschilderijen van haar te zien. Roeland van Eijnden en Adriaan van der Willigen, schrijvers van het in 1840 gepubliceerde boek Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst, vonden Ten Oever "eene verdienstelijk kunstminnaresse.”

Verkoop

Het huwelijk met Roelfzema hield 37 jaar stand, in 1826 overleed hij op 81-jarige leeftijd. Ten Oever hertrouwde en bleef in de Poelestraat wonen. Daar stroomden de aanbiedingen op haar kunstcollectie binnen. In 1829 werd de waarde van de verzameling getaxeerd op tussen de 23.000 en 30.000 gulden, verzamelaars uit onder meer Londen en Sint-Petersburg stonden ervoor in de rij. De waarde van haar collectie nam echter behoorlijk af toen een aantal speciaal voor onderzoek naar de doeken aangestelde kunstkenners concludeerden dat de helft van haar verzameling uit kopieën bestond. Ten Oever hield hardnekkig vol dat de commissie ernaast zat en dat al haar schilderijen echt waren. Dat ze er ook nog eens op stond dat de verzameling alleen in zijn geheel verkocht zou worden, zorgde ervoor dat de collectie nog steeds in haar bezit was toen ze in 1854 op 81-jarige leeftijd in Groningen stierf.

In 1863 werd de verzameling van Albarta ten Oever en haar man alsnog geveild. In 1942 schreef Wouter van Riesen een meisjesroman over haar leven.