Borgen: kastelen van het hoge noorden

1648-1815

De krulpruik van Midwolde

De Chinese lotus- of klompvoetjes, de lipschijven van Mursi-vrouwen in Ethiopië... je komt wat tegen, als je googelt op buitenissige mode-uitingen. Uit Europa kennen we de pruikentijd. Zoek je op 'krulpruik', dan kom je wel heel dichtbij huis uit: in Midwolde. De 300 jaar oude pruik die hier zo'n 30 jaar geleden werd teruggevonden, veroorzaakte een historische sensatie. Hij kwam tevoorschijn van onder het barokke grafmonument in de kerk van Midwolde, net als dat in Stedum vervaardigd door beeldhouwer Rombout Verhulst. Een roodbruine krulpruik in het Westerkwartier van berenhaar uit de Andes. Een internationaal verhaal, verteld vanuit Gronings perspectief. Even bizar als bijzonder.

De krulpruik van Midwolde

De pruik, of wat er nog van over is, van Georg Wilhelm von Inn- und Knyphausen. - Foto: Geert Pruiksma

Van degenen die onder dit grafmonument worden bijgezet, draagt Georg Wilhelm von Inn- und Knyphausen zo 'n 'perruque prolongé', een pruik met lange roodbruine lokken. Hij huwt de machtige borgvrouwe van Nienoord, Anna van Ewsum, de weduwe van zijn achterneef Carel Hiëronymus. Georg wordt verheven van baron tot graaf. En dat mag, of moet, de hele wereld zien! Op zijn wapenschild komt een gravenkroon en op zijn hoofd een wufte bos roodbruine krullen.
Waarom een pruik, in plaats van bijvoorbeeld hakken? Maar Carel draagt óók hakken! Hij is immers een groots iemand!

Vrouwen moeten vruchtbaar ogen, dus brede heupen hebben. De hoepelrokken, met vele vierkante meters fijngewoven Groningse wol, Chinese zijde of Indiase sits, afgezet met Brussels kant, maken hen mooi. Kleurige strikken, hoge hakken en gulden gespen zijn echter voorbehouden aan de herenschoenen. 'Kleren maken de man': mannen geven de schoenmode aan. Op portretten zien we dit zelden terug: vaak staat alleen de bovenkant er maar op. Georg is wel in zijn harnas te zien, een verwijzing naar tijden van strijd. Bommen Berend bezette onderweg naar Groningen ook Nienoord. Maar portretten ten voeten uit waren voorbehouden aan wel heel hooggeplaatste heren. Zoals bijvoorbeeld zijn vriend Willem III, de koning-stadhouder. Of zijn katholieke 'tegenpoot', Lodewijk XIV van Frankrijk.

Van prothese tot mode-uiting

Het is deze Lodewijk die de pruikendracht een boost geeft. Hij wordt al jong kaal, zo rond zijn 17e. Dit zou men wel eens kunnen associëren met syfilis en dat past niet bij zijn koninklijke waardigheid. Eind 16e eeuw had er een syfilis-epidemie rondgewaard: het dragen van een pruik en het witten van de beschadigde huid (met giftige loodwitverbindingen overigens) neemt in die tijd een vlucht. Een bijkomend voordeel is dat je zo 'n pruik gemakkelijk even uitklopt om luizen en vlooien te lozen. Veel heren scheren hun hoofd kaal en zetten een pruik op, syfilis of niet. Uiteindelijk gaan ook dames pruiken dragen, hele bouwwerken soms. Met strikken – geen hakken – en misschien ook wel gespen. Als Lodewijk zijn opvolger tijdens de Franse Revolutie wordt onthoofd, loopt de pruikentijd definitief ten einde. Of toch niet?
Popzanger Prince (zijn naam zegt het al) associeerde de pruikentijd niet alleen met decadentie, maar ook met verfijning. Dus trok Prince hakken aan, met kleurige strikken en gulden gespen, onder een op de 18e eeuw geïnspireerde kledingstijl. Gelukkig is de hygiëne vooruit gegaan: Prince had geen last van luis. Zijn eigen haar liet hij uitgroeien tot een indrukwekkende dos, zoals Lodewijk, William én Georg.

In de kist

Hoe heeft 'onze' eeuwenoude pruik de Franse Revolutie en alles dat daarna kwam, tot zelfs Prince aan toe, overleefd? Terug naar Midwolde. Zijn pruik vergezelt Georg naar familie op de Groninger borgen en in zijn geboortestreek Ostfriesland, tijdens vergaderingen in Den Haag en Brussel, bij audiënties op Het Loo. Dichterbij deze geschiedenis kun je bijna niet komen. Letterlijk. Want bij het openen van zijn graf blijkt Georg Wilhelm zelf helemaal tot stof te zijn weergekeerd. Maar als getuige aan het hoofdeind ligt daar: zijn pruik.
Allerlei betrokkenen steken hun handen uit de mouwen, om deze en andere overblijfselen van de edele lieden zo zorgvuldig mogelijk te conserveren. Jaap Stienstra, mede-oprichter van het Nationaal Rijtuigmuseum, knapt de metalen kistjes op waarin allerlei overblijfselen zijn samengebracht. Hij wil ze respectvol vervoeren, dus zet ze samen in één grote, nieuwe doodskist op het imperiaal van zijn Simca. Met als gevolg dat het halve dorp denkt, dat hij zelf het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld! Nadat dit misverstand is weggenomen, gaat het verhaal rond dat hij een complete adellijke familie op zolder heeft liggen. Dat valt mee: zijn huis verkocht hij gemeubileerd, maar de kistjes met inhoud zijn in 1994 teruggezet onder het voortreffelijk gerestaureerde grafmonument.