Wadden en water

1945-1989

Vissen op het Wad

De Stichting Verdronken Geschiedenis organiseerde in het kader van het project ‘Verhalen van de Eems-Dollard kust’ in het najaar van 2016 avonden, middagen en excursies waarop zeer uiteenlopende verhalen uit de geschiedenis van deze kustregio werden verteld. Jan Pijpker uit Oosteinde deelde zijn herinneringen aan een vistocht op het Wad.

Ik kom niet uit Groningen en toen ik voor de eerste keer vanuit de trein naar Roodeschool ter hoogte van Warffum mensen zag zwemmen in wat ik voor een brede sloot in het land hield, keek ik wel wat verbaasd. Ik woonde in Noord-Holland aan het IJsselmeer en wij mochten absoluut niet in een sloot zwemmen. Je kon er allemaal enge ziektes van krijgen. Maar hier stond toch echt ‘Warffums Zwembad’. Enigzins geschrokken reed ik door naar Roodeschool. Daar werd ik in een auto gezet met de oude meneer Oosterhuis en zo raakte ik in Oudeschip.

Onderwijzer in Oudeschip

Toen ik daar benoemd was als onderwijzer en een kosthuis had betrokken in Oosteinde, leerde ik het dorp en zijn omgeving kennen. En op een dag kwam ik een jonge man tegen die zei: 'Hallo, ik ben Tammo Timmer.' Die zorgde ervoor dat ik nog meer van de Groningers en van de Groninger gewoontes leerde kennen.

'Consent voor kustvisserij'

Maar toen Tammo op een vrijdagmiddag vroeg of ik meeging vissen, moest ik bekennen dat ik geen hengel had meegenomen uit Noord-Holland. Tammo hij begon te lachen en spoorde me aan om naar het gemeentehuis in Uithuizermeeden te gaan en daar voor 2 gulden en 50 cent een 'consent tot uitoefening van kustvisserij' te halen. Dat lukte me net voor men daar het loket sloot en ik haastte me vervolgens naar Tammo om te gaan kijken naar de boot waarmee we zouden gaan varen. Ik had het weer mis en hij vertelde me dat we te voet zouden gaan over de bodem van de zee. Omdat het om tien uur laag water zou zijn, moesten we om zeven uur ’s morgens het wad op. Ik zette de wekker en was om zeven uur pre-cies bij de schilderswerkplaats van zijn vader.

Garnalenschuif

In de werkplaats lagen wat netten, lange stokken en een voorwerp dat er uitzag als een sneeuwschuif, alleen op de plaats van het schuifgedeelte zat een bollend net. De vader van Tammo verklaarde dat zo’n ding een garnalenschuif was, waarmee je die beestjes uit het water kon opscheppen. Het hoe en wat ontging me nog, maar dat zou ik gauw leren, verklaarde de oude baas. Het belangrijkste ding dat meeging was een tang, om op het wad de schroeven van de schuif los en vast te kunnen maken. Was je die vergeten, dan kon je zo weer terug.

Met een wasmand vol netten stapten we op de fiets en reden door de polder naar de dijk. Over de dijk gekomen zagen we de kwelder en het wad, dat langzaam droogviel. Het water liep weg door allerlei geulen en tussen die geulen ontstond land. Terwijl we het wad op liepen, vertelde Timmer me allerlei gruwelijke verhalen over mensen die in de mist de weg waren kwijtgeraakt en maanden later aanspoelden. Dood uiteraard. Ik keek eens schichtig om me heen, maar gelukkig van mist geen spoor.

Bij een brede geul werd de garnalenschuif in elkaar gezet, de tang werkte prima en Timmer deed voor hoe het moest. Je liep met de schuif tegen de stroom in en ging daar vervolgens mee over de bodem. Het water was gelukkig nog warm dus was het niet erg dat je tot je middel in het water liep. De garnalen schrokken, sprongen op en bleven in het net achter. Na een poosje werd het net omgekeerd boven een soort zeef en boven het water werden de kleintjes er uit gezeefd. Die moesten eerst nog wat groeien. De grote kwamen in de wasmand, die in een laagje water stond, zodat ze bleven leven. Toen er een flinke laag in de wasmand lag was het genoeg en werden de andere netten tevoorschijn gehaald.

Lange repen net

Dat bleken lange repen net te zijn, met van boven een aantal kurken en aan de onderkant stukjes lood, zodat het net op de bodem kwam te liggen. Zo’n geul water werd afgesloten door zo’n net en nu kwam het erop aan om vijftig meter achter het net met stokken op de bodem te gaan prikken en flink wat lawaai te maken. Nu moesten we niet tegen de stroom inlopen maar juist met de stroom mee. De platvissen die op de bodem lagen schrokken en zwommen met de stroom mee: in de richting van het net. Daar werden ze tegen gehouden en het net werd opgehaald. De grote vissen werden er uit gehaald en de kleine in het water terug geworpen. Datzelfde gebeurde nog een keer in een andere priel met hetzelfde resultaat.

'Kon minder'

Ondertussen hielden we scherp de boeien in de gaten. Zolang ze overhelden in de richting van de zee was het goed, het water liep nog weg. Maar klapte de boei de andere kant op, dan kwam het water terug en werd het tijd om terug te gaan. Het terugkomende water liep namelijk om de zandbank heen waarop we stonden en bij de dijk was het dan al een stuk dieper. We begonnen aan de terugtocht, terwijl Timmer weer vertelde over mensen die dat te laat hadden gedaan en maanden later ergens dood aanspoelden. Ik zette er dus maar stevig de pas in, terwijl ik angstig achterom keek naar de boeien. Zonder ongelukken bereikten we de dijk. Bovenop de vis in de wasmand lagen de netten, de stokken kwamen achterop de fiets en zo bereikten we het dorp. Daar stond een oude man die in de mand loerde en zei: ‘Ik heb het wel eens minder gezien’ (maar dan in het Gronings). Ik was tamelijk verontwaardigd dat er zoiets over zo’n mooie vangst werd gezegd. Later hoorde ik dat het zo ongeveer de hoogste lof was…

Mevrouw Timmer had al een pan kokend water klaar staan en toen voltrok zich een wonder. De grauwe garnalen kleurden in het water mooi rood. Ze vertelde me hoe ik ze moest pellen en daarna aten we op een zaterdagmorgen brood met warme garnalen. Het was een moment om nooit meer te vergeten en ik dacht: ‘Hier ga ik nooit meer vandaan!’

En dat heb ik dus ook niet gedaan.

 

Dit verhaal werd verteld door Jan Pijpker uit Oosteinde en opgetekend door Betsie Timmer-Henkel uit Winsum.