Onderweg

1815-1945

Schippersverhalen van de familie Dost

Roel Dost werd in 1930 geboren als negende kind in een schippersgezin met in totaal tien kinderen. Zijn vader Harm voer met een zeetjalk op Scandinavië en ook zijn grootvader, eveneens een Harm, was schipper. Roel Dost zocht het levensverhaal van zijn vader en zijn broers uit.

Schippersverhalen van de familie Dost

De Esperance, gebouwd in 1927, geschilderd door H.Geertsema in 1948.

Harm Klaas Dost en zijn vrouw Jantina de Vries lieten in 1895 een zeetjalk bouwen ter vervanging van hun oude tjalk, de Jantiena. De Esperance werd gebouwd in Martenshoek en was een zeilschip met één mast, zonder motor. Harm Klaas en Jantina woonden op het schip, maar hun kinderen brachten hun schooltijd door aan wal. Harm Roelf Dost was het derde kind van het gezin en werd geboren in 1886. Toen hij klaar was met school, ging hij meteen weer varen bij zijn ouders op de Esperance.

De 'oude' Esperance voor de kust van Denemarken. - Foto: privébezit R. Dost
De 'oude' Esperance voor de kust van Denemarken. - Foto: privébezit R. Dost

De jonge Harm volgde een opleiding aan de zeevaartschool in de Violenstraat in Groningen en behaalde daar in 1905 zijn diploma voor de kleine handelsvaart. Hij werd lid van het Zeemanscollege 'De Groninger Eendracht' de beroepsvereniging voor zeevarenden. Daar ontmoette hij Geesje Dost, die twee jaar ouder was dan hij en ook uit een schippersfamilie kwam. Ze werkte toen als 'huisjuffrouw' bij een familie in de stad. In 1911 kon de jonge Harm de Esperance van zijn vader overkopen. De oude Harm en zijn vrouw kochten een schipperswoning aan wal en gingen rentenieren.

Bruiloftsgrappen

Op 25 januari 1912 trouwde Harm Dost met zijn Geesje. Schippers trouwden in de winter, omdat hun schepen dan meestal stil lagen. Varen op de Oostzee was immers te moeilijk vanwege het ijs. In de ruimen van de schepen die in de Noorderhaven voor anker lagen, werden feesten gevierd. Het huwelijk van Harm en Geesje moet ook met de nodige rituelen zijn ingeluid.

Een bekende grap voor pasgetrouwde stellen was deze: Als het bruidspaar naar bed ging, dan klommen de matrozen en feestgangers in de mast en brachten aan weerszijden van de mast een dik touw naar elke kant van de haven. De trossen van het schip werden dan losgegooid en het het schip werd naar midden van de haven geduwd. Vervolgens begon men beurtelings aan de touwen aan weerszijden te trekken, zodat de tjalk heel hard begon te slingeren. Grote pret voor de feestgangers, maar minder voor het bruidspaar.

Geboortes aan boord

Na de winter werd het schip weer zeilklaar gemaakt. Ze voeren naar Denemarken, Finland en Zweden met verschillende ladingen, zoals hout, granen, lood, veevoer, vaten spijsolie, vuurvaste stenen, schroot en boomstammen. De Esperance bezat nog geen motor, dus er werd echt gezeild. Een aantal van de in totaal 10 kinderen van Harm en Geesje zijn op de tjalk geboren. Als de bevalling nabij was en ze toevallig in een haven lagen, dan kwam er een baker aan boord. De oudste dochter Jaapkina Jantina is op die manier geboren in Kopenhagen. Na een paar dagen koos het schip weer het ruime sop.

Harm liet in 1927een nieuw schip bouwen bij scheepswerf Pattje in Waterhuizen. Hier kwam een motor in, maar het schip werd ook ingericht om ook te zeilen, mocht de motor uitvallen. Dat moest van scheepvaartinspectie en de verzekering. Ook het nieuwe schip kreeg de naam Esperance. Rederij Pattje verkocht de oude Esperance aan een rederij in Hamburg.

De laatste die aan boord werd geboren was zoon Klaas, toen de zeetjalk bij Waterhuizen voor de wal lag tijdens de bouw van het nieuwe schip. Moeder bleef ook aan boord om voor het gezin en de bemanning te koken. Eind februari werd er weer een dochter, Alida, geboren op de Esperance in het Deense plaatsje Horsens. Het was een strenge winter en op een zeker moment moest de hele familie met de bemanning van boord, omdat het ijs begon te kruien en men was bang dat het schip weg zou drijven naar zee en zeer beschadigd zou raken door het breken van het ijs. Gelukkig bleef het schip aan zijn vele trossen vast liggen en men kon later weer verkleumd aan boord gaan, want aan de wal kon men ook niet schuilen voor de harde wind en sneeuwbuien.

Kosthuis

Wanneer de kinderen leerplichtig werden, gingen ze aan wal en werden ze ondergebracht bij kennissen in Groningen. Kwam er weer een plek vrij in het kosthuis, dan ging er weer een kind van boord en naar school. Zoon Roelof Joris ('Roel'), het negende kind, werd in Harburg-Wilhemsburg in Duitsland geboren. Hij ging pas naar school op z'n zevende jaar, omdat er voor die tijd geen plaats was in het kosthuis. De tweede dochter Kina (Jaapkina Jantina, 1914) was inmiddels huisjuffrouw geworden bij een weduwnaar, en daar heeft zij twee broers en een zus opgevoed. De heer Ronner was een heel aardige man en de kinderen mochten vaak met hem in de tuin werken, waar hij heel veel kippen had. Op zaterdag ontvingen zij van hem elk 5 cent en dit bedrag mochten ze besteden in een snoepwinkeltje.

Harm Klaas (1917), Annette Engelina (1920), Jantina Jaapkina (1913), Engelina Remke (1923), Roelof Harm (1918), Vader Harm (1886), Alida Geziena (1929), Roel (1930), Remko Engelhard (1933),  Moeder Geesje (1884), Klaas (1927), Jaapkina Jantina (1914)
Harm Klaas (1917), Annette Engelina (1920), Jantina Jaapkina (1913), Engelina Remke (1923), Roelof Harm (1918), Vader Harm (1886), Alida Geziena (1929), Roel (1930), Remko Engelhard (1933), Moeder Geesje (1884), Klaas (1927), Jaapkina Jantina (1914)

Oorlog

In 1939 werd varen steeds gevaarlijker, vanwege de toenemende hoeveelheid mijnen op zee en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Harm Dost kocht een huis in de Oranjewijk en alle leerplichtige kinderen konden eindelijk naar school. Eén dochter bleef bij vader aan boord om voor hem en de bemanning te koken. Op een zeker moment kreeg Dost te horen dat de Kriegsmarine zijn schip in beslag wilde nemen, maar hij was de Duitsers voor en verkocht het schip eind 1941 aan een grote Amsterdamse reder. Harm Dost kwam toen ook thuis te zitten. Van de opbrengst van de Esperance kocht hij een aantal huizen en hij werd huisjesmelker tot aan het einde van de oorlog.

Klaas Dost beschoten

Nadat de Esperance was verkocht, kon Harms zoon Klaas (1927) niet aan de wal blijven. Hij monsterde aan op de Necton. Bij een Duits waddeneiland werd het schip beschoten door een Engels jachtvliegtuig. De kapiteinsvrouw, die met Klaas thee zat te drinken in de kombuis, kwam om in de kogelregen, maar Klaas bleef ongedeerd. Hij rende naar de stuurhut en zag daar de kapitein dood liggen en de stuurman gewond aan zijn bil. Klaas verbond de stuurman en samen hebben ze het schip naar de haven van het eiland Sylt weten te brengen. Later schreef Klaas in een brief het volgende verslag:

Wij voeren op Zweden in 1942 en 1943 met het motorschip NECTON. We namen jongens van de zeevaartschool mee naar Zweden en in Stockholm werden ze dan bij de consul De Jonge afgeleverd. We namen heen en terug brieven, foto’s en microfilms mee, voor de verzetsgroep 'Zwaantje'.
In oktober 1943, na de laatste reis op Zweden, werd het schip in beslag genomen door de Organisation Todt in Delfzijl. Op 9 april om 10 uur ’s morgens op 1e Paasdag 1944 werden we bij Wangerooge beschoten. Kapitein R. Hukema en zijn vrouw T. Veenma werden gedood. Stuurman Kees Karel raakte gewond. Ondergetekende en de scheepshonden hadden niks.
Getekend,
Klaas Dost – Kustweg – Delfzijl.

 Aan het einde van de oorlog lag de Necton in Rendsburg en ze mocht nog niet naar Nederland varen. 's Nachts ontplofte er een munitiedepot en de granaten vlogen door de lucht en over het schip. Eén granaat rolde de roef in waar de kapitein en zijn vrouw Netti Dost, een dochter van Harm, lagen te slapen. De kapitein kreeg de granaat op zijn been, maar hij ontplofte gelukkig niet.

Na de bevrijding is Harm, gezien zijn leeftijd, niet meer gaan varen. Hij werd scheepsexpert en ging de werven langs om te controleren of reparaties deugdelijk uitgevoerd werden. Vele schepen waren door oorlogshandelingen beschadigd geraakt. Het was een drukke tijd. Vlak nadat hij op 71-jarige leeftijd met pensioen ging, overleed hij, op Tweede Kerstdag 1958.