75 jaar vrijheid

1940 tot 1945

De universiteit tijdens de oorlog

De provincie Groningen kreeg vanaf juni 1940 de Duitser Hermann Conring als bestuurder toegewezen. Deze had naar eigen zeggen een speciale band met Groningen omdat zijn familie hier had gestudeerd. Dit zorgde ervoor dat hij zich extra inspande om de universiteit zoveel mogelijk gelijk te schakelen. Bovendien kreeg hij alle steun van de Sicherheitsdienst, die zich hier, anders dan in andere universiteitssteden, volop bemoeide met het hoger onderwijs.

Groningen werd gezien als een kleine provinciale universiteit met een sterke binding met het volk. De Groot- Germaanse gedachte zou hier, volgens de bezetter, gemakkelijker aansluiting vinden dan bijvoorbeeld aan de ‘rode’ universiteit van Amsterdam. De universiteit bleef gedurende de hele oorlog open, ook na het ontslag van joodse docenten en medewerkers in november 1940. In Groningen werd niet gestaakt en nauwelijks geprotesteerd. De meeste studentenverenigingen hieven zichzelf in november 1941 wel op uit protest tegen het Duitse verbod voor joden om nog langer lid te zijn. 

Conring zorgde ook voor de aanstelling van pro-Duitse rectores magnifici, zoals J.M.N. Kapteyn en later H.M. de Burlet, die nog fanatieker was en tot de bevrijding aanbleef als voorzitter. Ook andere docenten en medewerkers die hun loyaliteit aan de Duitsers betuigden, kregen hoge functies aangeboden. 

Groningen vreesde al voor de oorlog als kleine en verre universiteit voor opheffing. Vooral de angst dat een eenmaal gesloten universiteit niet snel meer open zou gaan, maakte dat de bestuurders lang meebogen met de steeds dwingendere eisen van de bezetter, zelfs als die medewerkers en studenten het leven kostten. Sterker, het open houden leek ook ruimte te bieden voor 'de ideale universiteit' waarover menigeen in die jaren nadacht.

De universiteit tijdens de oorlog

Rijksuniversiteit Groningen, Academiegebouw