Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1945

Rotterdammertjes, bommen en een gebroken been: herinneringen aan de oorlog

Op een mistige februariochtend in 2019 is het gezellig druk in het restaurant van Woonzorgcentrum Maarsheerd in Stadskanaal. Een flink aantal bezoekers aan het verhalencafé wisselt herinneringen uit aan de Tweede Wereldoorlog. Ze praten over evacués, NSB'ers, tekorten aan levensmiddelen en aan het einde van de oorlog, toen nazi's vluchtten en bommenwerpers hun last lieten vallen: 'de lakens, alles hing in de boom en je kon zo het huis binnen kijken. Dat heeft zo'n indruk gemaakt op me, dat geweld.'

Rotterdammertjes, bommen en een gebroken been: herinneringen aan de oorlog

Bezoekers aan het verhalencafé in Stadskanaal op 28 februari 2019 delen hun herinneringen. - Foto: Stella Dekker

Evacués

Eind 1944 kwam er een grote stroom mensen naar de noordelijke provincies. Na Dolle Dinsdag (5 september) vluchtten veel NSB'ers naar Groningen om daar nog een hele winter lang huis te houden. Tijdens de bevrijding van Zuid-Nederland, in september '44, werden complete Limburgse steden en dorpen al dan niet verplicht geëvacueerd. Met treinen en soms lopend kwamen de vluchtelingen in Groningen aan en vonden onderdak bij gastgezinnen. In december kwam daar nog een derde stroom bij. Vanwege voedseltekorten in de Randstad werden kinderen 'uitgezonden' naar het platteland, om daar aan te sterken. In Stadskanaal herinneren ze zich de Rotterdamse kinderen: ondervoed en mager, maar brutaal en met lef.

'We woonden op een boerderij en kregen evacués uit Rotterdam. Dat was in 1944, op het laatst zo'n beetje. Dat werd georganiseerd door een kerk in Rotterdam: zo'n veertig tot vijftig kinderen kwamen hierheen en werden verdeeld onder de leden van onze kerk. Bij ons kwamen twee jongens, ik weet nog precies hun namen en adressen: Jan en Adrie Noordijk, Allard Piersonstraat 8b, Delfshaven. De waren koud, verkleumd, hongerig en mager en het eerste wat ze deden toen ze bij ons kwamen – wij hadden al centrale verwarming – wat op de radiatoren gaan zitten. Moeder gaf hen eten en dat deed ze verstandig, want anders dan de verhalen die ik bij anderen wel heb gehoord, raakten hun magen niet meteen van streek. Ze zijn tot aan de bevrijding bij ons gebleven.
Op een dag wilden die jongens naar de Stad. Moeder vroeg hoe ze dat wilden doen, er was nog één fiets, met surrogaatbanden. Dat wilden ze wel proberen, maar er zat geen pakjesdrager op de fiets, dus toen kwam het raadsel: als Jan fietste, liep Adrie. En als Adrie liep, fietste Jan. Wie was er het eerst in Groningen?'

Reint Kugel (1932): 'De evacués die we kregen, de Rotterdammertjes, die kwamen echt 'bij de boertjes', zo voelden ze dat. Wij hadden er een die anderhalf, twee jaar jonger was dan ik, maar die zat vol sterke verhalen. Als ik wat vertelde, had hij dat allemaal al lang meegemaakt.'

Egbert Ottens (1933): Die Rotterdammers zaten bij mijn opa en oma in huis. Zelf hadden we geen evacués, want wij hadden thuis zeven kinderen. Mijn opa heeft van alles met hen beleefd, maar geen mooie dingen!'

'In Nieuwe Pekela kwamen ze bij ons in de klas. Ze praatten heel snel, dat weet ik nog. En alles in het ABN.'
'Ach nee hoor, wat was Rotterdams. Ze hadden het over krootjes!'
'Die Rotterdammers waren wel heel direct.'
'Wij hebben anders een prachtige tijd met ze gehad. Een hele kluit is zelfs familie geworden!'

Lien Kroeze (1940): 'Bij ons verbleef een vrouw met haar zoontje uit Rotterdam. Dat was niet zo'n geweldige ervaring. Mijn vader lag destijds ziek op bed, een hele poos. Mijn moeder fietste dan het hele eind naar Annerveensterkanaal om melk voor hem te halen en het was de bedoeling dat die vrouw dan in de tussentijd op het huishouden zou passen. Maar daar kwam niet veel van terecht. Ik vraag me eigenlijk nog steeds af: hoe werden die mensen hier geplaatst?'

De aanwezigen weten niet precies hoe de verdeling van de evacués in zijn werk ging. In december 1944 werd het ‘Interkerkelijk Bureau voor Noodvoedselvoorziening en Kinderuitzending’ (IKB) opgericht. De kerken waren politiek niet actief en daarom voor zowel de Duitsers als de Nederlanders een acceptabele partner om deze manier van hulpverlening op zich te nemen. Het IKB liet kinderen keuren en vroeg aan ouders of er een adres was van familie of kennissen waar het kind heen kon, maar dat was niet vaak het geval. Via de verschillende kerken, die onder de vlag van het IKB samenwerkten, werden ook adressen uitgewisseld van vrijwilligers die kinderen op wilden nemen. Er werd nauwlettend op toegezien dat kinderen bij gelijkgezinde pleeggezinnen werden ondergebracht.

Reint Kugel: 'In Musselkanaal werden de evacués verdeeld vanuit de radiozaak van Sleeman. Ook ik kan hun namen nog zo opnoemen. Ze werden eerst opgevangen in de Rooms-Katholieke school.'

Evert Meijer (1937): Ik herinner me dat ze met een grote groep aankwamen, per trein. Dat was wel bijzonder, want er reden destijds al helemaal geen treinen meer. Mijn vader werkte bij het Oranje Kruis en hielp mee. Ik herinner me er niet veel meer van, alleen dat er in de trein alleen kinderen zaten. En de lucht van luizenzwavel! Het meisje dat bij ons kwam moest eerst in de keuken in de tobbe en werd kaalgeschoren, vanwege de luizen.'

Onderduikers en zwijgen

Piet Vos (1934): 'Onze onderduiker was aangetrouwde familie. Na de spoorwegstaking is hij ondergedoken. Hij zat altijd binnen: speelde kaart en schaak met zichzelf, sneed tabak, draaide shagjes en rookte, rookte. Als de bel ging of er werd aangeklopt, dook hij ergens onder een bed. Hij kwam ook zelden in de voorkamer, want dan was hij vanaf de straat te zien.'

Jantje Ottens – De Jonge (1933): 'De broer van mijn moeder zat ondergedoken bij mijn grootouders, maar dat wist ik destijds niet. Hij was tewerkgesteld in Duitsland en toen hij met verlof thuiskwam, is hij niet meer teruggegaan. Mijn broertje en ik gingen altijd bij oma op bezoek en ik zie mijn oma nog staan: met haar handen op de rug voor de deur van de kast. Daar zat mijn oom in, maar dat kon ze niet aan ons, kinderen vertellen. Later heeft hij ook nog onder de vloer gezeten; hij kreeg zijn eten door een luikje. Het was wel gevaarlijk, want twee huizen verder zat een NAF-kantoor [Nederlands Arbeidsfront]. Wij waren als kinderen heel bang voor het geluid van die grote laarzen.'

Evert Meijer: 'Je was een kind. Er was veel dat je niet wist, maar kinderen wisten vaak meer dan hun ouders dachten. Er waren geheimen die je instinctief bewaarde, je wist dat je bepaalde dingen niet moest vertellen. Mijn ouders hadden een radio in de slaapkamerkast, tussen de vloerplanken. Ik wist dat wel, maar daar praatte je niet over.'

Jantje Ottens: 'We hebben zwijgen geleerd.'

NSB'ers

Piet Vos: 'In het algemeen wist je wel wie de NSB'ers waren. De fanatieke werden soms Landwachter, met een jachtgeweer. Maar de SD'ers waren de ergsten. Ik heb twee arrestaties gezien. De eerste keer was na de avondklok. Onze buurman stak zijn neus uit de deur om te kijken of iedereen zich er wel aan hield. Er reed een wagen van de SD voorbij en hij werd prompt gearresteerd! Pas een paar dagen later kwam hij weer thuis.
En een ander werd gearresteerd toen hij gras aan het snijden was voor zijn konijnen. Hij had een mes bij zich, was de verklaring...'

Vos: 'Na de oorlog is mijn vader een tijdlang beheerder geweest voor NSB-families. De ouders waren geïnterneerd en de kinderen, tja, die zorgden voor zichzelf of werden opgevangen door familieleden. Mijn vader merkte al snel dat die mensen een beetje onnadenkend waren geweest. Maar eigenlijk zat er nauwelijks kwaad bij.'

Erna Koops: 'Veel dominees preekten vanaf de kansel dat de mensen het gezag moesten gehoorzamen. De Duitsers dus. Het werd gezien als een opdracht van God: mensen gingen bij de NSB omdat de dominee dat zei.'

Tekort aan alles

Al vroeg in de oorlog gingen veel levensmiddelen 'op de bon', wat betekende dat personen en gezinnen elk een rantsoen aan bijvoorbeeld koffie, thee, suiker of bakolie konden kopen. Maar naarmate de oorlog vorderde, raakten de schappen steeds leger en moesten de mensen inventief omgaan met de schaarste. Kleding werd keer op keer versteld en er ontstond een zwarte markt voor levensmiddelen. Op het platteland speelde dat minder, omdat veel mensen een eigen moestuin aanlegden en dieren hielden, maar ook daar lieten tekorten zich voelen.

Jantje Ottens: 'We hadden een fiets in de schuur die gekoppeld was aan een molentje. Daarmee maakten we koolzaadolie. Ook slachten deed mijn moeder stiekem in de schuur, want slachten was verboden. Als ik vroeg wat ze daar deed, zei ze: 'dat vertel ik straks wel even.''

'Mijn ouders ook. Ik vroeg dan: wat heeft mama toch te doen in de kelder? Ze antwoordde wat ontwijkend, maar de dagen erna aten wij vlees.'

Piet Vos: 'Bij ons thuis lag op de zolder een hoeveelheid koolzaad te drogen. Op een dag ging het verhaal dat de Duitsers huiszoekingen aan het doen waren. Mijn vader ging gauw naar de zolder, schoof het koolzaad in een kussensloop, maar het sloop bleef ergens achter haken en scheurde: het koolzaad stroomde van de trap af, tot aan de voordeur! Mijn ouders hebben doodsangsten uitgestaan, maar gelukkig gingen ze ons huis voorbij. We woonden in een twee-onder-een-kapwoning en de deur van de buurman zat aan de zijkant: de Duitsers zijn wel bij hem naar binnen gegaan, maar hadden niet in de gaten dat er nog een voordeur was.'

Bommen en jagers

Geallieerde bommenwerpers en jachtvliegtuigen vlogen vanuit Engeland over de noordelijke provincies heen om steden als Bremen en Hamburg te bombarderen. Maar de Duitse jagers vochten terug en er zijn verschillende vliegtuigen neergestort.

Piet Vos: 'Het was vlak voor de bevrijding. De geallieerden waren bezig om de Duitsers op hun aftocht te bestoken. Een Engelse jager kwam heel laag over, we konden de piloot zien zitten! Hj zat achter een vrachtwagen aan. Daar kregen we toch een mitrailleursalvo...! Dat ging dwars door een woonhuis. Mijn vriendje en ik zijn snel in een droge sloot gesprongen. De jager maakte een bocht en vuurde opnieuw: toen raakte hij de vrachtwagen wel.
Op de dag van de bevrijding zelf zaten we in de kelder. We hoorden het geluid van ontploffende granaten steeds luider worden. We hadden geluk, want in Wildervank werd niet veel vernield. Sommige mensen hadden de gevel van hun huis verstopt achter stropakken, omdat ze bang waren voor schade. De geallieerden vonden dat verdacht en schoten daar juist op!
De tanks gingen in Wildervank niet over de rijweg, maar zo veel mogelijk vlak langs de huizen. Over een lengte van vijf kilometer werd in Wildervank het trottoir finaal vernield door die tanks. En toen hadden we nog bovengrondse elektriciteitsleidingen: de jeeps en tanks met hun lange antennes zorgden regelmatig voor vuurwerk...!

'Tussen de middag liep ik van school naar huis in Muntendam, het was een mooie dag, november 1943. Opeens zagen we een aangeschoten bommenwerper recht op ons af komen; de motoren leken wel ogen! Hij maakte een zwaai richting Zuidbroek en vlak voor het Winschoterdiep raakte hij de grond. Het vliegtuig klapte over het water heen en raakte daarna een school in Zuidbroek, helemaal aan gruzelementen. 's Middags toen ik weer naar school ging, zag ik dat de piloten uit het veld waren opgepakt.'

'Mijn schoonmoeder woonde op Bareveld. Die is ooit gewond geraakt door een neergestorte brandstoftank: een aangeschoten vliegtuig had die laten vallen.'

Lien Kroeze: 'Naast ons huis is een bom gevallen. De buurman bracht het er levend van af. Maar het beddengoed, de lakens, alles hing in de boom en je kon zo het huis binnen kijken, naar de badkamer en zo. Dat heeft zo'n indruk gemaakt op me, dat geweld. Dat mag nooit vergeten worden, dat oorlog zoiets doet.'

<p>Foto: Stella Dekker</p>

Foto: Stella Dekker

Piet Vos: 'De bommenwerpers lieten inderdaad wel eens een last vallen. Bij Gieterveen waren eens een paar inslagen achter elkaar. Van de hoofdmeester moesten we allemaal naar de gang, waar hij vervolgens begon te bidden. Het schudde toen wel een beetje, ja.'

Henk Volders (1928): 'Wij waren als jongens gek op munitie. Vooral als er dynamiet in zat, want daar kon je ontploffingen mee maken! Dat heb ik veel gedaan. Ik had de munitie verborgen voor mijn ouders, onder de turfstapel. Maar op een dag is er één patroon in de kachel terechtgekomen, toen mijn moeder de kleine stukjes turf bij elkaar veegde. Alle ringen van de kachel kwamen omhoog! Ik heb mijn moeder moeten beloven dat ik niet meer met munitie zou spelen. Dat heb ik ook gedaan.'

Tegen de Duitsers

Toen in maart duidelijk werd dat de geallieerden steeds verder oprukten, werd veel nazi's de grond te heet onder de voeten. Ze vluchtten de grens over, maar tegelijkertijd waren er ook fanatieke soldaten die stand wilden houden en tot de laatste man wilden blijven vechten.

Jantje Ottens: 'De laatste dagen waren wij in het veld. De huizen waren gevorderd. Langs het Boerendiep liepen Duitse soldaten met Panzerfausten op de schouder.'

Henk Volders: 'Eind maart 1945 trok het Duitse leger zich terug. Met zijn duizenden tegelijk gingen ze de grens over bij Bourtange, waar ik woonde. Bij ons in het dorp en de omgeving werden leden van een Marine Festungs Battalion ingekwartierd. Jonge jongens, die met geweer of mitrailleur moesten vechten tegen tanks. Een ervan zag het allemaal niet meer zitten en wilde deserteren, maar durfde eigenlijk niet. Toen is hij naar boer Frikken gegaan met de vraag of die zijn been wilde breken. Frikken wilde dat eerst niet, maar heeft het toch gedaan, op een kruiwagen. Het ging gemakkelijker dan hij had gedacht, zei hij later. Dat was weer een soldaat minder, vond hij.

Een ander verhaal is van een Duitse soldaat die het lopen moe was. Hij zag een meisje op de fiets en wilde die van haar afpakken. Maar het meisje vluchtte en reed bij onze buurman de tuin in. Onze buurman zag dat het niet goedkwam en rende naar buiten: 'Laat dat Rad los anders snijd ik die de ströt af!'

Zelf was ik nog net zeventien in de oorlog, te jong voor de Arbeidsdienst. Maar ik heb nog wel een halve dag gewerkt bij OT [Organisation Todt]. We moesten schuttersputjes graven. De commandant vond die van mij nicht schön, die was ovaal in plaats van rond. Ik werd ontslagen. De vijf mark loon waar ik recht op had heb ik niet meer opgevraagd, ik heb mijn ontslag blij geaccepteerd.'

Erna Koops: 'Mijn vader heeft heel wat meegemaakt in de oorlog. 'Wat die moffen me aangedaan hebben is niet in geld te betalen' zei hij altijd. Eens waren we op vakantie in Oostenrijk en kreeg hij ruzie met van die echte oude nazi's. Ik was bang dat hij ze in elkaar zou slaan.'

Henk Volders: 'We hadden van die jonge Duitse jongens die vlakbij ons huis lagen. Ze deelden hun sigaretten met mij. Große Angst, hadden ze. Ik was zelf net niet ondergedoken, maar van hun leeftijd. Nog altijd heb ik van één van die jongens het uniform. Soms trek ik het aan...
Op een dag kwamen er Duitsers bij ons die commandeerden dat wij ergens ransels moesten ophalen met de kar. Ik deed dat wel. Maar later kwamen ze weer en toen moest ik een bom wegbrengen. Daarmee hebben ze een brug opgeblazen. Op die plek is nu geen brug meer. Als ik erlangs kom, denk ik altijd: dat is door mijn toedoen...'

Bevrijding

Wemmy Zwama-Wever heeft een foto van een bevrijdingsoptocht. 'Op de versierde kar tijdens de bevrijdingsoptocht in Mussel zaten rechts op de wagen mijn mam Geertje Wever als prinses Juliana en links mijn tante Hindertje Wever (zij is inmiddels 93 jaar) als Koningin Wilhelmina. Tijdens de oorlog was er geen stof voor de jurkjes te koop... Grootmoe Baarg had nog een oud, wit laken in de linnenkast liggen. Coupeuse Appie Wever uit Mussel naaide er schitterende jurkjes van. Het kant verwerkte ze in de hals - kraag en mouwtjes!'