Van Adorp tot Zuurdijk , Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1989

Geboren in de hongerwinter

Ik ben Heleen Bolmer-Emming, geboren 15 oktober 1944 te Musselkanaal, in de beruchte hongerwinter, zevende in de rij van acht kinderen. Mijn vader was soldaat en zat ingedeeld bij het Rode kruis. Hij was vaak op plekken waar hevig werd gevochten. Mijn moeder had dus de zorg voor toen zeven jonge kinderen, we volgden elkaar vrij snel op.

Later, toen ik zelf al getrouwd was, durfde ik de vraag te stellen waarom er in de oorlog toch nog twee kinderen werden geboren. Er waren er al vijf, en dan in zo'n hachelijke tijd. "Tja," zei ze, "je moet niet vergeten dat we veel van elkaar hielden. Als pa dan eens met verlof thuis kwam dacht je echt niet aan de gevolgen. Je was zo blij dat hij thuis was."

Eten genoeg, maar toch zorgen

Het was voor mijn moeder een heel moeilijke periode. Eten was er voldoende omdat we een grote tuin hadden, kippen, een varken in de schuur. Allerlei fruitbomen in de tuin, hoewel je altijd op je hoede moest zijn voor de Duitsers die ook wel een hapje mee wilden eten. Ik was een "vreselijke huilende baby", die niet wilde drinken. Mijn peetoom was bang dat ik het niet zou redden en kwam elke dag bezorgd langs om me wat te vertroetelen. Omdat mijn vader de kachel,’s nachts, niet zo hoog durfde te laten branden en zuinig moest doen met brandstof, liep hij geregeld ’s nachts de bedden langs om te kijken of iedereen wel warm was, en van kruiken te voorzien.

Kinderwagen

Er was een nieuwe kinderwagen gekocht en die mochten ze met een dubbeltje per maand afbetalen! Soms had mijn moeder dan dat dubbeltje niet meer, of eigenlijk nog wel, maar de kinderen gingen voor en er moesten andere dingen gekocht worden. Ze durfde dan de deur niet uit, bang om de desbetreffende winkelier tegen te komen. Hij heeft er nooit om gevraagd en er ook nooit iets van gezegd als ze te laat was. Maar alleen die angst al!

Familie

Mijn oma van moederszijde was met een Duiter getrouwd uit Papenburg. Een zeer strenge Duitse vader had mijn moeder. Ze gingen in Bourtange lopend, of soms met een oude fiets, de grens over om met de familie wat te ruilen of te brengen, meestal ’s nachts, want ze wisten wel allerlei ‘stille paadjes’.

Neergeschoten

Mijn moeder kon altijd met een grote ontroering vertellen over een 24-jarig buurtmeisje dat na een wandeling nog even met haar vriend in de slootkant van de weg zat te praten. Een auto met Duitsers kwam er aan en schoot in het rond. Het meisje hebben ze zwaargewond meegenomen en later doodgeschoten. Haar lichaam hebben ze nooit weer gezien.

NSB-dancing

Toen wij tieners waren, kwam er in Vlagtwedde een dancing; Jan Beijering. Grote verhalen werden er verteld over hoe leuk dat was. Wij mochten er niet naar toe van mijn vader omdat Beijering lid was geweest van de NSB en de regio bekend stond als een communistisch bolwerk.

Wij waren jong en hadden geen oorlog meegemaakt, dus dat gaf strubbelingen. We moesten er ook op de fiets naar toe en dat zag mijn vader ook niet zitten, maar niemand van mijn vriendinnen mocht er trouwens naar toe. Veel later, toen ik ruim twintig was, ben ik wel geweest. Mijn vader was toen al overleden.