Van Adorp tot Zuurdijk

1815-1914

Opstand in Stitswerd

In april 1815 ontvangt de schout (zeg maar de burgemeester) van de gemeente Kantens, Albert Sebes Sluis, een nogal verontruste brief van de gouverneur van de Provincie Groningen. Deze heeft namelijk vernomen dat enige ingezetenen van Stitswerd 'een berispelijk gedrag houden' en elke gelegenheid aangrijpen om 'oude partyzugt op te wakkeren en dezelve tot eene aanleidende oorzaak te maken van vegtpartyen en dergelijken'. Hij drukt Sluis op het hart dit soort 'buitensporigheden met kracht en fermiteit tegen te gaan' en om 'bij de minste baldadigheid van kwalijkgezinden' hem daarvan onverwijld op de hoogte te brengen, met opgave van de namen van de relschoppers.

Enige dagen later komt er weer een brief, dit keer van de heer Sevenster, officier van de rechtbank te Appingedam. Deze brief is nog veronruster als de vorige en doet vermoeden dat er in Stitswerd een ware opstand aan de gang is. Het zou nu niet meer gaan om énige ingezetenen van Stitswerd maar om véle, die zich bovendien zouden bedienen van 'vegtinstrumenten, daartoe expres door den hoefsmit te Cantens vervaardigd'. 

De brief van Sevenster 'aan den schout der gemeente Kantens'.
De brief van Sevenster 'aan den schout der gemeente Kantens'.

'Vegtinstrumenten'

De rebellie heeft zich dus al tot Kantens uitgebreid en het is volgens de officier dan ook van het grootste belang dat 'de voornaamste belhamels dier vijanden van inwendige veiligheid' aan justitie worden uitgeleverd. Hij verwacht van Sluis een rapport 'over den geest van de ingezetenen van Stitswerd'. Ook moet hij de hoefsmid van Kantens aan de tand voelen over bovengenoemde 'vegtinstrumenten' en alles in het werk stellen om een van die 'machines' in handen te krijgen. Wat de heer Sevenster zich voorstelt bij deze 'machines' wordt niet helemaal duidelijk maar dat hij zich grote zorgen maakt is wel zeker. 

'De beste geest'

Op 18 mei 1815 schrijft Sluis een brief terug aan de heer Sevenster. Hierin spreekt hij allereerst zijn verwondering uit over hetgeen hij in de brief van Sevenster heeft gelezen. Over de veronderstelde 'kwalijke gezindheid en oproerige geest' onder de ingezetenen van Stitswerd zegt hij dat het hem 'leed doet dat diergelijke geruchten in omloop zijn', dat hij in zijn gemeente alleen 'de beste geest' waarneemt en wat dat betreft ook over de ingezetenen van Stitswerd niet te klagen heeft. Wat is er dan wel aan de hand? Het was de schout namelijk niet ontgaan dat er in Stitswerd wel degelijk enige 'onaangenaamheden zijn voorgevallen' en dat sommige lieden in 'vegtpartyen gewikkeld worden', doch de reden hiervan, aldus Sluis, is:

'...niet anders als omdat het karspel Stitswerd bekend is het Huis van Orange ten allen tijden en nu vooral te zijn toegedaan en daar bij alle gelegenheden en mogelijk wel wat ongepast voor uitkomen, en uit dien hoofden bij elke gelegenheid meestal tegenparty vinden en in vegtpartyen gewikkeld worden. Het is dus geen oproerige geest maar eer een te seer gerezen zugt van hunne gehechtheid aan het Huis van Orange' waarbij zij dan 'de verdraagzaamheid uit het oog verliezen.'

Kennelijk waren er in deze periode, waarin de Fransen nog maar net waren vertrokken en Koning Willem I pas aan de macht was, nog flinke meningsverschillen over hoe het land voortaan moest worden bestierd en over de wenselijkheid van een koningshuis. Eén woord te veel over de Koning en er was de grootste ruzie, vooral in Stitswerd. 

'Geheel valsch'

Tot slot is Sluis ook nog bij de hoefsmid van Kantens langs geweest, ten overvloede, zoals hij zelf opmerkt, want Sluis gelooft in het geheel niet in enige opstand of oproerige geest. Bij ondervraging van de smid zegt deze niets te weten van genoemde 'vegtinstrumenten', precies zoals Sluis al gedacht had en hij besluit dan ook met te zeggen dat 'deze te lastlegging geheel valsch is'.

De opstand van Stitswerd heeft de geschiedenisboeken niet gehaald, zo dramatisch zal het dus wel niet geweest zijn en het is maar goed dat er zulke nuchtere mensen als schout Aldert Sebes Sluis waren, die een vechtpartijtje van een revolutie konden onderscheiden.