1914-1989

Opgroeien in 'Knoal': de jaren veertig, vijftig en zestig

Opgroeien in Stadskanaal was het thema van de verhalenmiddag die op 13 maart 2016 in het Streekhistorisch Centrum Stadskanaal werd gehouden. Bezoekers uit Stadskanaal zelf en uit de omliggende dorpen deelden hun herinneringen aan dansles, petticoats en pikante foto's.

Opgroeien in 'Knoal': de jaren veertig, vijftig en zestig
Drie jongedames aan de thee in Stadskanaal in 1958. - Foto: Streekhistorisch Centrum Stadskanaal (17315)

Geertje Eggens-Scheper (1928) groeide op in Musselkanaal en kwam in haar jeugd maar een of twee keer per jaar in Stadskanaal. “Met de meisjesvereniging gingen we naar een christelijke avond; zingen en naar preken luisteren.” Het geloof speelde in de jeugdjaren van de bezoekers nog een grote rol in het dagelijks leven. “Ik was een negenjarig jongetje en om op school te komen, moest ik tussen de Mulo en de openbare lagere school door,” vertelt Peter Stadens (1949). “Ik werd christelijk opgevoed en moest heel snel lopen, anders kreeg ik een scheldkanonnade aan mijn broek van die kinderen, en misschien zelfs wel een steen!” De meesten zijn het er echter over eens dat die tijden behoorlijk veranderd zijn. “Dat was kinderwerk. Ze wisten toen al niet meer waar dat precies over ging.”

Kinderen in de jaren veertig, vijftig en zestig speelden veel buiten. Bertha Dijkhuizen-Schuringa (1933) somt de spelletjes op: “Knikkeren, siddeln met een tol, haasje over, landje veroveren – dat heette ook wel 'mesje steken' – elastieken en touwtje springen. Henk Altena (1944) herinnert zich tiepeln: “Je had een sleufje in de grond en met een stokje of lat moest je er een soort knikker zo ver mogelijk uitwippen. Het leek wel wat op notenschieten.”

Ina Op 't Ende – Abbes (1952) uit Musselkanaal herinnert zich dat het park verboden terrein was om in te spelen. “Die waren om in te wandelen, niet voor kinderen. Want kinderen hielden zich niet aan de regels. En van al dat spelen 'had het gras te lijden'!” Peter Stadens mocht van zijn ouders altijd en bijna overal buiten spelen, maar het liefst wel met speelkleren aan, wat hij nogal eens 'vergat'. “Als ik 's middags uit school kwam, lagen de hardbroodjes al klaar. Die gristen we mee, en weg waren we.”

Sebe Bos, de opa van Peter Stadens, in de Semsstraat. - Foto: P. Stadens
Sebe Bos, de opa van Peter Stadens, in de Semsstraat. - Foto: P. Stadens

"Deze foto dateert nog uit de tijd voordat m'n grootouders getrouwd waren. Destijds had mijn grootmoeder, Roeffie Timmer, er een atelier en winkel waar ze dameshoeden maakte en verkocht. Later, toen mijn grootvader met haar getrouwd was, heeft m'n opa, Sebe Bos, er achter een kwekerij aangelegd en er bloemen en fruit geteeld en huis-aan-huis verkocht met paardenwagen. Weer later, in de jaren 50, verkocht mijn vader in dezelfde winkel tuinzaden."

Peter Stadens (1949)

Dansen

Jopie Bakker-Clement (1943) had in haar jeugd weinig vrije tijd. Elke dag fietste ze tien kilometer naar de HBS in Stadskanaal en thuis moest ze veel leren. Maar er was wel tijd voor ontspanning. “Ik ging naar gymnastiek en naar dansles, om de jongens te ontmoeten,” lacht ze. “De meisjes zaten aan de ene kant en de jongens aan de andere kant. Je leefde helemaal toe naar de bals: slotbal, middenbal, eindbal…!”

Ook andere bezoekers herinneren zich het dansen. In Musselkanaal stond De IJzeren Klap, een bekende bioscoop die in 1942 haar deuren opende. Later kwam er een dansgelegenheid bij; De Bios. “Ze hadden daar een prachtige matglazen vloer, met gekleurde lichten eronder.” Jopie Bakker: “De christelijken mochten daar niet dansen. Ze wilden wel, maar het mocht niet van hun ouders.” Geertje Eggens: “Ik ben gereformeerd opgevoed en ik mocht daar inderdaad niet naartoe. Ik was al getrouwd en we gingen stiekem. Het was zondig, werd er gezegd, en dat klopte ook wel, want dat heb ik zelf ondervonden. De jongens schoven met hun buik tegen je aan, of ze deden hun knie omhoog tussen je benen. 'Vind je dat niet lekker dan?' vroegen ze verontwaardigd als ik zei dat ik er niet van gediend was.”
“Maar dat heet schuifelen!” lacht Jopie Bakker. Geertje Eggens rilt er nog van.
“Dat soort dingen is van alle tijden,” vindt Bertha Dijkhuizen.
Peter Stadens probeert het opdringerige gedrag van de jongemannen te verklaren. “Het was voor jongens een verwarrende tijd. Ze meiden kleedden zich zo, dat er niet veel te raden meer overbleef. Maar je mocht er niet eens naar kijken!”
Geertje Eggens: “Kijken mocht wel, maar aankomen niet!”

De jeugd in Stadskanaal en omstreken werd in de jaren vijftig en zestig in elk geval langzaam wat 'losser' maar zo snel en gemakkelijk als in de grote steden of in de Randstad, ging het er hier niet aan toe. Ina Op 't Ende: “Elkenain kent elkenain hier, er was – en is – een grote sociale controle. Je hoefde maar één stap te zetten of iedereen wist het al.” De Knoalsters waren nuchtere mensen.

Petticoats en opgestoken haar

Het gesprek komt op kleding. In de oorlog en direct erna was er haast geen kleding te krijgen. Jassen werden 'gekeerd' en trouwpakken vermaakt tot kinderkleren. “In de oorlog werd de trouwbroek van vader voor mij vermaakt tot lange broek, waarin ik kon schaatsen,” vertelt Bertha Dijkhuizen. “Maar het was zo'n broek met van die nauwe pijpen en de kinderen op het ijs riepen mij na: 'zai het kachelpiepen om bainen!' – Die smalle pijpen waren helemaal niet modieus en ik wilde die broek daarna echt niet meer aan...”

Arnold Seegers (1934) herinnert zich de leren knielappen die hij van zijn ouders om moest doen als hij ging spelen. “De jongens op de lagere school droegen korte broeken, ook in de winter. Om je knieën en vooral je kousen te beschermen, kreeg je een 'lijfje' om, een soort tuigje om je middel, waar de leren knielappen met knoopsgatenelastiek aan hingen.”
Seegers' demonstratie doet Jopie Bakker uitroepen: “Herinneren jullie je dat gedoe met die gordels nog? Jarretels?” Instemmend gelach. Ina Op 't Ende heeft de gordels en de kousen die ermee omhoog werden gehouden, nog zelf gebreid.
Bakker: “Ik droeg mijn haar 'op zolder', zoals ze zeiden. Hoog opgestoken, met een rolletje eronder, zodat het nog meer leek. En ik droeg een petticoat, zo'n enorm gesteven ding, net over de knie. Of net erop.” Geertje Eggens lacht: “Ik kreeg mijn rokken over de knie, maar ik ben wel eens stiekem naar boven geslopen om er een extra zoompje in te naaien!”

Geld verdienen

“Wij leerden al jong een werkritme,” vindt Henk Altena (1944). “Hoe jong je ook was, je had een taak. Van kalfjes verzorgen tot het kippenhok schoonmaken of het erf aanvegen.” Altena ging op zijn vijftiende werken als krullenjongen en werd uiteindelijk timmerman. Jan Scheper (1941) moest van zijn vader gaan 'leren' en naar de ULO, maar na drie klassen werd duidelijk dat hij daar niet voor in de wieg was gelegd. Hij ging bij de Post en bleef er 43 jaar, iets langer dan zijn vader en grootvader. “Ik begon als telegrambesteller, werd toen hulpbesteller, besteller en kwam zo op de postauto. Maar na een ongeluk, een botsing met een paard, kwam ik in de kantoorsector terecht.”

Jopie Bakker heeft wel bijbaantjes gehad. “Ik kreeg eind jaren vijftig misschien twee gulden per week zakgeld. Ik was vijftien en ik wilde graag geld verdienen. Ik had mijn zinnen gezet op een paar rieten meubeltjes.” Bakker ging aan het werk bij een boer in de Mussel: “Eerabbels kraben. Van vijf uur 's ochtends tot vijf uur 's middags. En dat zonder beschermdopjes aan mijn vingers. Ik weet niet meer hoeveel ik daarmee verdiende, maar wel dat de rieten meubels er gekomen zijn.”

Een jaar later vond Bakker een ander bijbaantje. “Ik kwam een paar weken in de winkel van mijn buurman terecht, die fotograaf was. Mijn taak was het 'glanzen' van de foto's; daarvoor legde ik de natte foto's in een trommel. Ik keek nogal verbaasd op toen ik instructies kreeg: 'Als je foto's ziet die pikant zijn, moet je ze eruit halen, want dan drukken we die nog een keer af.' De fotozaak had een archiefje voor die 'speciale collectie'. Daar heb ik natuurlijk ook wel eens in gekeken! Ik heb veel bijzondere foto's voorbij zien komen. In die tijd waren er wel sleutelclubs, waarbij je van partner ruilde. 'Die met die?!' dacht ik dan, terwijl ik daar stond te glanzen.”

Eind jaren vijftig werden de eerste tekenen van een veranderende tijd zichtbaar. Een minder centrale plaats voor kerk en geloof en een soepelere houding tegenover zaken die vroeger onbespreekbaar werden geacht. Tijdens het verhalencafé hebben we een aantal onderwerpen verkend, maar er is natuurlijk altijd ruimte voor diepgravende verhalen. Wilt u ook een bijdrage leveren? Neem dan contact met ons op via info@deverhalenvangroningen.nl of deel uw verhaal met ons.

Straatbeeld van de Hoofdstraat met vanaf rechts drukkerij Eerelman, bakkerij Drenth, hotel Dopper en Foto Huizinga. - Foto: Streekhistorisch Centrum Stadskanaal (1402)
Straatbeeld van de Hoofdstraat met vanaf rechts drukkerij Eerelman, bakkerij Drenth, hotel Dopper en Foto Huizinga. - Foto: Streekhistorisch Centrum Stadskanaal (1402)