Verhalen uit de regio

Onbekende pioniers bedwingen Groninger land

Terugkijkend op de geschiedenis van het Groninger land kan een groeiende verwondering en nieuwsgierigheid ontstaan. Het bestaande beeld van de provincie wordt meestal gevormd door bekende hoofdpersonen als Abt Emo, Geert Reinders en Aletta Jacobs. Maar de onverwachte bewondering gaat uit naar de onbekende naamloze grondleggers van het verhaal. Van de allereerste bewoners van het gebied kennen we geen namen.

Onbekende pioniers bedwingen Groninger land

Het runenstokje dat in 1917 tijdens de afgraving van de wierde van Westeremden werd gevonden. – Collectie Groninger Museum, foto: Marten de Leeuw.

Die eerste pioniers trokken tegen alle logica in richting het Groninger land. Een stuk land dat uit niet veel meer bestond dan een aantal hoger gelegen kwelders en dat blootgesteld was aan het veranderende tij. Op de één of andere manier lukte het hen om voet aan de grond te krijgen. Hoe hen dat lukte, is grotendeels een oningevuld verhaal. Er zijn alleen flarden van hun bestaan bekend dankzij archeologische opgravingen. Toch vormen die flarden de basis voor alle aansluitende verhalen van de Groninger geschiedenis.

Extreme weersomstandigheden

De mist van de geschiedenis trekt enigszins op rond 600 jaar voor onze jaartelling. De natuur was ongekend lang haar gang gegaan, de Waddenzee had haar vorm aangenomen en aan land waren enkele hoger gelegen kwelders gevormd. Ook de Hondsrug, een zandrug lopende vanaf Emmen langs de stad Groningen naar Winsum, was gevormd. Het land was klaar voor de eerste waaghalzen. Die dienden zich aan vanuit gebieden rond de Eems en de oevers van de Duitse rivieren de Weser en de Elbe. De extreme weersomstandigheden daar waren vergelijkbaar met die op de Groningse kwelders. Het veranderende tij en mogelijke overstromingen schrokken hen niet af en ze trokken naar het Groninger land om zich er te vestigen.

Overleven op wierden

Op de kwelders vormden ze samen kleine boerengehuchten met opslagplaatsen voor hun oogst. Ze begonnen het land op te hogen door platformen aan te leggen. De platformen groeiden in de loop van de tijd tegen elkaar aan, en vormden samen een groot, verhoogd en bewoond stuk dat we kennen onder de naam wierde. Het land was erg vruchtbaar en geschikt voor landbouw. De bewoners kregen het voor elkaar bonen, zaden en vezels te verbouwen. Ook hielden ze runderen, schapen en paarden. De wierden vormden dankzij de ophoging een veilige haven wanneer de zee de rest van het land onder water zette.

Uitheemse contacten

De wierdebewoners leefden niet geheel geïsoleerd van de rest van de wereld. Ze dreven handel met bewoners van het Drentse achterland. Vanaf het begin van onze jaartelling legden ze contact met de Romeinen. Hoewel het Romeinse Rijk ophield bij de Rijn, verhandelden ze gebruiksvoorwerpen met de noordelingen. In de Groninger wierden zijn talloze Romeinse voorwerpen gevonden zoals munten, bronzen beeldjes en sieraden. Toen de macht van het Romeinse Rijk afnam, trokken veel bewoners van onder de Rijn weg uit het gebied. Daarop verlieten veel wierdebewoners Groningen en vertrokken naar het zuiden. Maar, dankzij een emigratiestroom van Ostfriesland naar Engeland, nam in de 4e en 5e eeuw na Christus in Groningen het bevolkingsaantal weer toe.

'Op de heemstede blijft het geluk'

Het bleven woelige tijden voor de bewoners van Groningen. In de achtste eeuw werd het gebied onderworpen aan de Frankische koningen. Zij reorganiseerden en kerstenden het gebied. Honderd jaar later, in de negende eeuw, waarde in het gebied de dreiging van binnenvallende Noormannen. Hoe spannend deze tijden voor de bewoners waren, is moeilijk te zeggen. Een kleine aanwijzing geeft een runenstokje uit die tijd, dat gevonden is in de wierde van Westeremden. Op het stokje staat vermoedelijk geschreven: 'op de heemstede blijft het geluk' en op de andere zijde 'door taxus zal het opgroeien'. Het was waarschijnlijk bedoeld als zegenwens.

Blijvende dreiging

Vanaf de negende en tiende eeuw trokken de wierdebewoners verder, naar veengebieden als Bedum. Ook begonnen ze met het afgraven van het Damsterdiep en het Winsumerdiep. In de elfde eeuw omringden ze het bewoonde land met een zeewerende dijk. Enkele wierdebewoners, zoals die van Uithuizermeeden, bleven nog eeuwenlang buitendijks wonen. Toen in 1717, nu meer dan 300 jaar geleden, de Kerstvloed over de provincie geraasd had, werd een dijk aangelegd die de kracht van de zee definitief kon bedwingen.

<p>De wierde van Westeremden, deels afgegraven. - Foto: Collectie Groninger Archieven, www.beeldbankgroningen.nl &nbsp;(1173-143-102)</p>

De wierde van Westeremden, deels afgegraven. - Foto: Collectie Groninger Archieven, www.beeldbankgroningen.nl  (1173-143-102)