Verhalen uit de regio

1945-1989

Molukkers in kamp Nuis

Tussen 21 maart en 21 juni 1951 arriveerden zo'n 3500 Molukse militairen van het Koninklijk Nederlands Indische Leger (KNIL) en hun gezinsleden in Nederland met twaalf transporten door het stoomschip 'Kota Inten' in Rotterdam. Dat was na de onafhankelijkheid van Nederlands Indië: de door Soekarno uitgeroepen Republik Indonesia. Een groep van 250 Ambonezen, zoals Molukkers toen werden genoemd, kwam uiteindelijk terecht in Nuis, juni 1951. Met veel moeite pakten ze daar het leven weer op.

Molukkers in kamp Nuis

Molukse vrouwen en kinderen in Kamp Nuis. - Foto: archief familie Matahelumal

De komst van de militairen met hun gezinnen was bedoeld als tijdelijk. Zij hadden er zelf niet voor gekozen om naar Nederland te komen en dachten te zijner tijd terug te kunnen keren. Deze KNIL-militairen waren gedemobiliseerd buiten grondgebied van de Republika Indonesia. Die had er bezwaar tegen wanneer dat op de Molukken zou gebeuren, vanwege het uitroepen van de Molukse onafhankelijkheid: de Republik Maluku Selatan (RMS) in april 1950. Daarom besloot de Nederlandse regering om in 1951 circa 12.500 Molukkers over te brengen naar Nederland.

Hier aangekomen kregen ze te horen dat ze niet langer in dienst van het leger waren. Ze werden ondergebracht in opvangkampen, zoals voormalige concentratie- en werkkampen in Vught en Westerbork, en in leegstaande kloosters. In de provincie Groningen werden twee vroegere werkkampen ingericht: 'Kamp Nuis' en een kamp bij de Carel Coenraadpolder, Noordoost-Groningen, voorheen een 'Rijkswerkinrichting' voor gedetineerden. Kamp Nuis bood voordien plaats aan arbeiders die voor de Duitsers werkten, NSB'ers, collaborateurs en ontspoorde jeugd.

Kennismaking met Groningen, Nederland

Een van de sterkste herinneringen van oud-bewoners is de snijdende kou van de oostenwind, die door de kieren van barakken drong. Dekens voor wanden en ramen moesten die buiten houden. In de winter van '51 maakten de Molukkers kennis met sneeuw en ijs. Op een grote vijver achter het kamp was er 'Hollandse ijspret', waar ze schaatsen leerden. Molukse kinderen leerden nieuwe spelletjes als tikkertje, tollen en knikkeren. Nederlandse kinderen leerden van hen vliegergevechten of 'boompje zwiepen'.

Voor de inwoners van Nuis en omgeving was de komst van de Molukkers opzienbarend; ze zagen voor het eerst in hun leven 'kleurlingen'. Zo zei een meisje tegen haar moeder: 'Daar komen zwarten aangelopen'. Moeder vertelde dat ze niet bang hoefde te zijn. Ook maakten zij kennis met de Molukse cultuur: de gastvrijheid en eten als pindakoeken, bami en nasi. Niet alle autochtonen waren even vriendelijk; sommigen zagen de nieuwkomers als tweederangsburgers.

Een eerste gemengd huwelijk vond plaats in 1958 toen Simon Malawer in Marum trouwde met de Groningse Minke Brandsma. Het hele dorp liep uit. Veel bezoek was er ook bij de geboorte van hun eerste kind: iedereen was nieuwsgierig hoe dat er uit zou zien…

Kampleven

Het kamp Nuis bestond uit de barakken A tot en met G voor een zestigtal gezinnen, verdeeld over kleine wooneenheden. Vanwege de zachtboardwanden tussen woonruimten was het erg gehorig. Soms bestond de scheiding tussen de woon- en slaapruimte alleen maar uit een deken.

Het eten kwam uit een centrale keuken. Dit was meestal 'Nederlandse kost': aardappelen, vlees en groente, maar soms ook Indisch, zoals rijst met vis of nasi. Later verbouwden bewoners zelf groenten. De plaatselijke VIVO-kruidenier verrijkte het assortiment met uitheemse producten als rode pepers en tamarinde. Andere gezamenlijke voorzieningen waren een was- en badruimte, een kerk en een (kleuter)school. Vanwege het tijdelijk verblijf in Nederland bleven de koffers gepakt en was een deel van de meegenomen bezittingen opgeslagen in loodsen. Het sobere kampleven en allerlei problemen aanvaardde men, in de hoop eerdaags terug te kunnen keren naar het geliefde vaderland.

<p>Molukse kinderen in Kamp Nuis: Jan, Nina en Marjon (voor Molukkers een jongensnaam) Wattimena samen met een groter meisje. - Foto: archief familie Matahelumal</p>

Molukse kinderen in Kamp Nuis: Jan, Nina en Marjon (voor Molukkers een jongensnaam) Wattimena samen met een groter meisje. - Foto: archief familie Matahelumal

Houvast

Het voornaamste houvast tijdens het verblijf was de militaire discipline van de mannen. Zij hielden 's ochtends appèl, waarbij de vlag werd gehesen die de kampbewoners eraan herinnerde dat ze één land en één volk waren. Aanvankelijk mochten de mannen niet werken. Zij kregen zakgeld: jongeren onder onder de 18 kregen twee gulden; de ouderen drie. Sommigen vulden hun financiën stiekem aan met werk, zoals aardappelrooien bij de boer. Tegen verveling hielp vertier als biljarten, kaarten of vissen. Vanaf 1954 was het toegestaan te werken, bijvoorbeeld in Drachten (Philips), Hoogkerk (Smid & Hollander en Koets) en Groningen (Melkfabriek 'De Ommelanden', Energiebedrijf Groningen Drenthe, Niemeijer en Aagrunol).

De vrouwen runden de huishouding, maar voor hen waren er onder meer ook een breicursus en naailessen. Er was ook werk in het kamp, zoals asperges schoonmaken wasknijpers maken. De kinderen konden naar hartenlust in het kamp spelen. Ze gingen naar scholen in de omgeving.

Een voorname rol speelde het geloof. Er kwam een eigen kerkgebouw, als onderdeel van de Protestantse Molukse Kerk in Nederland, met een kerkkoor, 'Silo', en een mannenkoor 'Elim', alsmede een fluitorkest. Maar ook was er sport, zoals een eigen voetbalteam.

Opheffing van het kamp

In 1961 hief de regering de opvangkampen op en kwamen er 44 woonoorden door heel Nederland voor in de plaats; in Groningen in Marum, Appingedam, Hoogkerk en Foxhol. Het verblijf werd voorgoed; de regeringsbelofte van terugkeer niet waargemaakt...

De laatste bewoners verlieten kamp Nuis in 1963-1964. Velen vestigden zich in Marum, Drachten, Hoogkerk of de Groningse wijk De Wijert. De sluiting van het kamp betekende ook het einde van de VIVO-winkel in Nuis.

Bronnen:
André Klunder, 'Kamp Nuis: een tasbaar verleden', in Marinjo, tweemaandelijks onafhankelijk Moluks magazine, nr. 6 (2017)
Sonja Matahelemual, Frans Lesilolo, Eli Soumokil en Simon van der Goot, Kamp Nuis 1951-1964 (2005).