Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1945

Het oorlogsdagboek van Trijntje Boven

Van 17 april tot en met 4 mei 1945 is zij op de vlucht: Trijntje Boven‑Meijerhof, samen met haar man, haar ouders, haar zoontje, haar zussen, haar broer en haar buren. Haar huis staat aan de Zomerdijk tussen Wagenborgen en Woldendorp, midden in de vuurlinie. Zestien dagen zijn de Bovens op de vlucht. Ze trekken door het open veld, schuilen in sloten en slapen onder de blote hemel. Trijntje, dan 24 jaar, houdt een dagboek bij. Hieronder een verkorte weergave van haar verslag.

<p>Trijntje Boven-Meijerhof (1921-1995) met haar oudste zoon Jan en herdershond, ca 1945.</p>

Trijntje Boven-Meijerhof (1921-1995) met haar oudste zoon Jan en herdershond, ca 1945.

Dinsdag 17 april

Tegen de middag komen de Duitse soldaten in zwermen opzetten. Overal soldaten. Ze gaan zonder meer de huizen binnen of graven iedere honderd meter een gat in de grond en kruipen daar in. Om drie uur beginnen de Canadezen in onze richting te vuren. De Duitsers sturen ons het veld in waar wij dekking zoeken in een sloot. Om half acht zeggen zij tegen ons dat wij de volgende morgen weg moeten. We overleggen waar we het beste heen kunnen. Naar Nieuwolda mogen we niet. Daar zijn reeds Canadezen en de Duitsers zijn veel te bang dat we dan verraden hoe zij zich hier ingenesteld hebben. We besluiten het veld in te gaan.

Woensdag 18 april

Zeer vroeg beginnen we onze bedden, kleren en voedsel op een wagen te laden. We hebben eieren gekookt en gisteren hebben we stiekem nog een kalf geslacht en dat vlees gaat gebraden ook op de wagen. Bepakt en bezakt, het beddengoed op de schouders, onze voeten meteen kletsnat van de morgendauw, zo begint onze vlucht. Eindelijk vinden we een sloot met flinke hoge wallen waar haast geen water in staat. Drie van ons gaan naar één van de boerderijen in de buurt en vragen om zakken, schoppen en drinkwater.

Twee beginnen dan met het graven in de sloot en één gaat terug om stropakken te halen. Dan komt de zon door en trekken we allemaal onze kousen en schoenen uit en laten die in de zon drogen. De sloot is bewoonbaar. We houden de kleinen bezig door klei uit de wal steken en daar kunnen ze dan poppetjes van maken.

Donderdag 19 april

Het is deze dag tamelijk rustig. Wij vrouwen zorgen dat er iets eetbaars komt. De mannen maken dichtbij huis een schuilkelder in de sloot.

Zaterdag 21 april

Alweer een dag en nog zijn nergens onze Canadese bevrijders te zien. We gaan een partij bonen doppen. Onderwijl wordt er gezongen en de grote jongens vertellen elkaar moppen.

Zondag 22 april

De dagen verglijden in dezelfde spanning. Het schijnt wel een eeuwigheid te duren, dit wachten op de bevrijding. Je leven is geen ogenblik veilig in zo'n moordkuil die oorlog heet.

Dinsdag 24 april

Het was een bange nacht. De Duitsers trekken zich terug en jagen onder bedreiging van revolvers nog meer mensen uit hun huizen. We zijn nu met 38 mensen, bijna zonder eten of drinken en verdelen ons over twee sloten.

Dan komt de nacht. Gelukkig hebben we wat beddengoed waar we onder kunnen kruipen. En zo liggen we dan vlak naast elkaar, groot en klein. Velen met hongerige magen, maar er zijn er ook met angst en vertwijfeling. En maar wachten op de bevrijding of de dood!

Woensdag 25 april

De honger dwingt ons op te stappen. We komen dan nogmaals in de vuurlinie, maar er is geen andere uitweg. Dan begint de uittocht. We moeten eerst door een weiland en dan over een laan. De eersten hebben de laan nog niet bereikt als er plotseling met een mitrailleur op ons wordt geschoten. De kogels suizen tussen ons door. We laten ons vallen en kruipen door het gras en aan de kant van een sloot weer terug in een huis. Geheel ontdaan zitten we daar nu zo laag mogelijk bij de grond.

Donderdag 26 april

Vandaag is het mijn verjaardag, 24 jaar ben ik nu. Het is een verjaardag die ik waarschijnlijk mijn hele leven niet weer vergeet. Mensen die in het gewone leven vreemden voor me zijn feliciteren me hartelijk. Nu de intense spanning wat geweken is voel ik me ziek.

Vrijdag 27 april

Het is vannacht tegen de morgen weer zeer onrustig geweest. Er komen 60 Duitsers aan die zich zonder iets te vragen overal in de huizen verschansen. We voelen ons niet meer veilig en besluiten om maar weer het open veld op te zoeken. Met man en macht worden weer een paar sloten gereed gemaakt om te schuilen. Voor de zoveelste maal zitten we met 38 mensen in een sloot. We maken boven ons hoofd een dak van planken en stropakken.

Zaterdag 28 april

De dag verloopt met tussenpozen van gebulder der kanonnen. In Woldendorp zijn verscheidene branden. De dag gaat over in de nacht en nog zitten we hier als kluizenaars.

Zondag 29 april

Wat een nacht hebben we achter de rug? We zijn uitgeput van angst en spanning. Er is haast niemand die een oog heeft dichtgedaan. Er is zonder rustpauzen de hele nacht geschoten van beide kanten. Zo dicht vielen er schoten bij ons dat we in de sloot zaten te schudden. Dan was het net een lichte aardbeving. Plotseling wordt er geroepen aan de ingang van onze schuilkelders: de Canadezen zijn er. De opluchting en blijdschap zijn onbeschrijflijk. We hebben permissie om op te breken, maar ons is aangeraden om een witte vlag omhoog mee te dragen. Maar thuis wacht ons een verschrikking. Wat een beestenboel. Al onze weckflessen waar we vlees in hadden van het varken zijn leeg. Al onze kippen zijn geslacht en opgegeten.

We zijn nog maar nauwelijks bezig met opruimen of vader komt terug met een naar bericht. We zitten in de frontlinie en moeten verder trekken naar Midwolda waar het volkomen veilig is. Nu heerst er grote neerslachtigheid onder ons. Vanuit Nieuwolda gaan we naar Midwolda en onderweg sluiten meer mensen zich bij ons aan. Met emmers warme koffie en brood worden wij onthaald. Het wordt ons warm om het hart van zoveel medeleven. Eindelijk belanden we bij de familie Tinga van boerderij Boszicht. We treffen het goed, we kunnen ons heerlijk wassen. Slapen in een echt bed en echte dekens. Wat een weelde.

Maandag 30 april

We hebben te veel in spanning gezeten om direct goed te kunnen slapen. Tegen de avond komt er weer een grote groep mensen aan uit Termunten en omgeving. Ze zijn door en door nat en verkleumd. Ze vertellen ons dat ze de laatste nachten als in een hel hebben geleefd. Ze zijn door Woldendorp getrokken en hadden niet één huis gezien dat nog helemaal goed was. Dode Duitse soldaten stonden nog rechtop tegen de muren. In de schuur worden nu strolegers gemaakt voor ongeveer 60 mensen.

Vrijdag 4 mei

Het regent, er vertrekken steeds meer mensen. In de middag als het opklaart wordt ons verlangen naar huis te groot. Het kan nu niet snel genoeg gaan.

Zaterdag 5 mei

DUITSLAND CAPITULEERT!!!!