1815-1914

Het huis Lameris - De eerste veearts van Warffum

“Een veearts?” De inwoners van Warffum hadden in eerste instantie nogal vreemd opgekeken, toen de 21-jarige Kornelis Jacobus Lameris zijn opwachting maakte. “Joe bedoulen n dokter veur baisten en peerden en zo?”
“Jazeker, veur aal t vee.”
“Dus nait veur minsen?”

De voorkant van het huis van Lameris in Warffum. - Foto: Openluchtmuseum Het Hoogeland
De voorkant van het huis van Lameris in Warffum. - Foto: Openluchtmuseum Het Hoogeland

De mensen konden er haast niet bij, dat deze jongeman alleen een dokter voor dieren was. En het fraaie was, dat hij er nog voor doorgeleerd had ook, aan een echte hogeschool! Ach, natuurlijk hadden de boeren van het Hoogeland wel eens zieke dieren, maar meestal wist de eerste knecht wel wat te doen, al dan niet bijgestaan door het ‘koujong’ of de verzorger van de paarden. In een enkel geval haalde je er een hoefsmid of koehelper bij. En als het dan toch mis ging? Nou ja, dat was de natuur, aan een ziek beest had je op de boerderij ook niks. Ja, het was even een financiële tegenvaller zo’n dood beest, maar in een enkel geval leverde het als slachtvlees nog iets op of kreeg je nog iets terug van de verzekering. Maar een dokter laten komen voor een koe of varken, dat deed je toch niet? Wat moest die man ook wel niet kosten? Nee, dokter Lameris heeft vast veel scepsis moeten overwinnen, toen hij zich als eerste gediplomeerde rijksveearts in 1862 in het dorp vestigde.

In de 18e eeuw brak tot drie maal toe de runderpest uit in het land. Door een gebrekkige kennis van de diergeneeskunde werd de landbouw hierdoor zwaar getroffen. Eén van de eerste personen die middels onderzoek een geneesmiddel tegen de pest probeerde te vinden was de uit Bedum afkomstige boer en veekoopman Geert Reinders. Hij is één van de grondleggers van de immunologie en ontwikkelde als eerste een vaccinatie tegen de virusziekte. Voor een meer wetenschappelijke benadering van veeziektes werd tevens in 1821 een Rijksveeartsenijschool in Utrecht opgericht. De enige opleiding diergeneeskunde in Nederland is nog altijd alleen daar te vinden. 

Landbouw of leger

De eerste hoogleraar in de diergeneeskunde was een Groninger. De uit Baflo afkomstige Alexander Numan had geneeskunde gestudeerd, maar was ook zeer geïnteresseerd in landbouw en veeteelt. Hij schreef onder ander het veelvuldig herdrukte ‘Handboek der Genees- en Verloskunde van het Vee’. De eerste gediplomeerde dierenartsen waren vee- of paardenartsen. De opleiding was nog niet echt gericht op kleine huisdieren zoals honden en katten. De dierenartsen waren vooral werkzaam voor de landbouw of het leger. Op koeien, varkens, schapen en paarden draaide destijds een groot deel van de economie en paarden waren een onmisbaar onderdeel van de cavalerie. Toch moesten de eerste dierenartsen nog flink concurreren met de al eerder genoemde hoefsmeden en koehelpers. Het aantal studenten liep hierdoor flink terug en in 1850 voorkwam minister Thorbecke zelfs de sluiting van de Rijksveeartsenijschool door een flinke reorganisatie.

In de tijd dat de uit Sebaldeburen afkomstige Kornelis Lameris, roepnaam Kees of Knelis, met zijn veeartsenpraktijk begon, breidde de werkgelegenheid voor gediplomeerde veeartsen zich langzamerhand uit. De export, maar ook de binnenlandse consumptie van vlees- en zuivelproducten nam toe. De gezondheidszorg voor productiedieren werd daarom ook beter geregeld. Toch zou het nog tot 1874 duren voordat de titel veearts wettelijk werd beschermd. Pas in 1910 gingen de vee- en paardenartsen zich dierenarts noemen en verschuift de diergeneeskunde zich ook naar familiehuisdieren.

Hoofdonderwijzer

Kees' vader Frides Jans Lameris was hoofdonderwijzer van de lagere school in Sebaldeburen. Kees werd op 26 september 1840 geboren en was het derde kind van Frides en zijn vrouw Elisabeth. Na Kees zouden er nog drie kinderen volgen, waarvan de laatste levenloos werd geboren. Het oudste kind Iemkje, Kees zijn enige zus, overleed ongehuwd op 30-jarige leeftijd in Grootegast. Zijn oudere broer Jan zou handelaar in onder andere dorsmachines worden en was eigenaar van boerderij “De Klockstede” in Sebaldeburen. Maar zowel Kees als zijn jongere broers Jacobus en Jakob Fridus werden allen veearts.

Broer Jacobus in de Oost

Majoor Jacobus Lameris was als paardenarts verbonden aan het leger. Hij droeg de titel Paardenarts 1e Klasse van het 2e Regiment Veldartillerie. Hij werd later benoemd tot paardenarts van de Koninklijke Stallen in Den Haag en tot grote vreugde van zijn kleinkinderen mochten zij af en toe ook op de pony van prinses Juliana rijden. Bij zijn 25 –jarig jubileum bij de Koninklijke Stallen kreeg hij van prins Hendrik het officierskruis van de Huisorde van Oranje-Nassau opgespeld. In 1881 zorgde Jacobus nog voor opschudding toen hij door de Nederlandse regering naar Nederlands-Indië was gestuurd om in Bandung de veepest te bestrijden. Jacobus vond ter plekke dat de uitbraak van de pest het beste een natuurlijke dood kon sterven, maar dit stuitte bij de vee-eigenaren op veel protest. Voor het Indisch Genootschap verdedigde hij later zijn handelen op de volgende wijze:

“Men verschool zich achter de mijns in-ziens valsche stelling dat er brandpunten onderhouden werden, van waaruit de besmetting uitstraalde. Indien die landen het eenige terrein waren geweest, zou het onzinnig zijn geweest als men daar had willen doorzieken. Dan zou ik de eerste geweest zijn om te zeggen : maakt af zoo snel mogelijk; doch men was van alle kanten door de ziekte omringd.”

Jacob Fridus

Kees’ andere broer Jakob Fridus werkte eerst als veearts in Friesland en werd later districtsveearts van Zuid-Holland benoorden Maas en Lek. Bij zijn 40-jarige ambtsvervulling werd hij door de Zuid-Hollandse veeartsen gehuldigd en werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Heimwee

Kees Lameris keerde als enige van zijn broers na zijn studie aan de Rijksveeartsenijschool terug naar Groningen. Dat hij hier terugkeerde is niet zo verwonderlijk. Als jonge student leed hij zo aan heimwee, dat hij meerdere keren op het punt stond om weer naar huis te gaan. Na een tijdje begon hij echter te wennen en werd een ‘kranige’ student, maar dat hij na zijn studie terug zou gaan naar Groningen stond buiten kijf. Hoe hij aan zijn aanstelling in Warffum kwam, is niet bekend. Het kan zijn dat zijn latere zwager Pieter Werkman hier een rol in heeft gespeeld. De in 1821 in Warffum geboren en getogen Pieter was eveneens veearts en moet tot de eerste lichting rijksgediplomeerde veeartsen in Groningen hebben behoord. Hij werd veearts te Leens en Kloosterburen en zijn beide zonen Klaas (vader van de beroemde kunstenaar H.N. Werkman) en Hendrik, generatiegenoten van Kees, waren ook veearts. 

Gezin

 In Warffum nam Kees zijn intrek in het logement van Pieter Werkmans vader en moeder, Jacob Eltjes Werkman en Ebeltje Pieters Kopinga. Jacob Eltjes Werkman was eerst veldwachter maar werd later herbergier. Toen respectievelijk vader Werkman in 1865 en moeder Werkman in 1867 stierven namen de nog drie thuiswonende dochters het logement over. Buiten Pieter waren de overige drie zonen van het gezin inmiddels overleden en de vierde dochter, Geertje, woonde met haar man in Zuid-Holland. Het lijkt erop dat de vrijgezelle zusters Ellina Maria, Janna en Jakoba, Kees beschouwden als een lid van de familie en dat Kees wellicht de rol van heer des huizes op zich nam. Het zou echter nog twintig jaar duren voordat hij ook echt een lid van de familie werd. Op 41-jarige leeftijd trouwt hij met Jacoba, de jongste van de gezusters Werkman, die op dat moment 44 jaar is. Twee maanden na het huwelijk, op 6 juli1882, wordt hun enige en zeer gewenste kind Elisabeth Kornelis Jacoba Lameris geboren. Het dochtertje wordt echter maar 9 weken oud en overlijdt op 9 september 1882. De aangifte van het overlijden wordt gedaan door twee goede vrienden van het echtpaar, de gemeentesecretaris Harmannus Arnoldus Doesburg en de architect Adam Klazes Bijlsma. Doesburg en Bijlsma waren ook getuigen bij de aangifte van geboorte van Elisabeth en hadden tevens voor het paar getuigd op hun huwelijk. In 1886 zou de van oorsprong Friese Bijlsma burgemeester van Warffum worden en dit tot aan zijn dood in 1915 blijven. De aangifte van zijn overlijden wordt door zijn vriend Kees Lameris gedaan.

Het huis Lameris

In 1880 vroeg de veearts aan Bijlsma om voor hem en Jacoba een huis te ontwerpen aan de Hoofdstraat 21. Het pand dat er staat wordt afgebroken en ter plekke verrijst een statig herenhuis met een koetshuis en stalruimte. Voor 5.194 gulden wordt het huis gebouwd door de Warffumse aannemer Hendrik Martini en zijn kompaan, de houthandelaar Onno de Cock Rouaan uit Onderdendam. Het huis is gelegen naast het café van de weduwe Werkema en ligt schuin tegenover het logement van Lameris’ schoonzusters. Het ontwerp van het huis is geheel naar traditie van de tijd. De woning had een centrale entree en hal met aan weerszijden woon- en slaapvertrekken. Op de bovenverdieping was aan de voorzijde onder de dakkapel een slaapkamer voor de dienstbode afgetimmerd. De overige zolderruimte werd als opslagruimte gebruikt. Aan de linkerzijde van de woning verrees een schuur met een koetshuis en drie stallen. Eén stal had een speciale houten vloer met hoge zijschotten zodat een ziek paard hier verzorgd kon worden. In zijn werkkamer stond de opstand of ‘vergiftkast’ met medicijnen tegen allerlei veeziektes. 

Graag gezien

Jarenlang trok Kees Lameris er zomers en ‘s winters op uit met zijn koets. Vergezeld van zijn dikke, ronde schimmel, die hij vanwege ouderdom uiteindelijk tot zijn verdriet moet vervangen door een sneller paard, een vos, trok hij langs de Hogelandster boerderijen. De ‘dokter’ met de twinkeling in de ogen en met zijn bolhoedje op en zijn onafscheidelijke dokterstas met de verloskundeset en de instrumenten voor aderlating of castratie bij zich, was een bekende en graag geziene figuur in de omgeving. En alhoewel het in het begin zeker niet allemaal over rozen ging, wekte hij langzaam maar zeker het vertrouwen van de boeren. In een heillied dat bij zijn 50-jarig jubileum als veearts ten gehore werd gebracht refereerden zijn collega’s hier nog aan:

Met lof een diploma, na moeite en strijd,
De praktijk bracht weer zorgen en nood;
Want hoe ge ook werkte en zwoegdet in dien tijd,
't Gaf toch maar een schraal stukje brood.
Ook hier overwont ge, ge kreegt vasten voet,
Concurrentie bezweek, d´r werd Vertrouwen gevoed.

Fietsen

Hij hield van ‘zijn’ dorp en was ook zeer actief in het verenigingsleven. Zo stelde hij een groot belang in de Vereniging ter Bevordering van Welvaart, het latere ‘Nut’. Toen zijn schoonzussen in 1887 een hotel openden tegenover hun oude logement, wat nu dienst deed als gemeentehuis, organiseerde of gaf de veearts hier regelmatig lezingen. Hij was nauw verbonden met zijn familie en haalde zelfs zijn neef Fridus, de zoon van zijn broer Jan, in huis, zodat deze in Warffum naar de Rijks HBS kon. De energie en het plezier waarmee oom Kees zijn praktijk uitoefende heeft Fridus waarschijnlijk doen besluiten om ook veearts te worden. In latere brieven aan zijn neef vertelt Kees Lameris uitgebreid over zijn werk en leven in Warffum. Zo leerde hij in 1898 nog het fietsen van de plaatselijke smid Simon Wilkens:

“Een keer of vijf heb ik mij dagelijks een uurtje bezig gehouden…….en nu rij ik al in één keer door naar de Biefketil. Is dat niet knap? ’t Keren en wenden, zo ook het opstijgen moet nog beter, maar dan ben ik de zaak de baas! Volgende zomer zal ik een nieuwe fiets aanschaffen en dan rijdt d’olle peerdedokter van Warffum op zijn karretje de wereld rond. Tante denkt al ernstig om boeldag te houden van paard, rijtuig enz.”

Een jaar later verzucht hij aan zijn neef dat hij zo nu en dan nog een fietstochtje maakte, bijvoorbeeld naar Westernieland, maar “ik wou alleen om dat instrument dat ik een jaar of twintig jonger was.”

Brieven

Van ‘tante’ vertelt hij, dat ze samen met de dienstmeid snel alle peren en pruimen aan het plukken is, omdat de ‘roepen’ ze anders allemaal opvreten. Ook is hij met haar naar de Stad geweest om een kunstgebit te laten aanmeten nadat ‘tante’ 17 tanden en kiezen had laten trekken. En hoewel het echtpaar al enigszins op leeftijd is, genieten ze merkbaar van het leven. Zo lezen we hoe ze een paar dagen vakantievieren in Maastricht, dat ze Carré in Amsterdam bezoeken en dat ze per stoomtrein naar Utrecht gaan om daar de vergaderingen van de ‘Veeartsenij’ bij te wonen. Over andere dorpsgenoten vertelt de veearts, dat de postbode hem een keer in de vroege ochtend wekte omdat er per post een haas was aangekomen, dat de nieuwe dominee ‘biesterboarlek’ mooi kan preken, en dat de koster, Helmer Molema, vervangen is door een meester Mulder, wiens dochter organiste is. 

Dood paard

Tot op hoge leeftijd zou Kees Lameris zijn praktijk blijven uitoefenen. Naast veearts van Warffum en omgeving is hij ook plaatsvervangend districtsveearts en sinds 1888 voorzitter van de “Afdeeling Groningen en Drenthe der Maatschappij voor Diergeneeskunde”. Het overlijden van Jacoba op 29 november 1909 in het Diaconessenziekenhuis in Groningen valt Lameris zwaar. In deze periode raakt hij ook nog als getuige betrokken bij een rechtszaak. Op 11 december wordt de Warffumer veearts naar Onderdendam geroepen om daar het reeds geslachte vlees van een plotseling overleden paard te onderzoeken. In verband met de uitbetaling van de verzekering heeft de boer een overlijdensverklaring nodig. Daar het beest door de knechten omschreven wordt als zeer bruikbaar en goed gezond stelt Lamaris vast dat het paard waarschijnlijk een aanval van koliek heeft gehad. De slager geeft echter aan, dat hij bij de slacht door de bleke kleur van de ingewanden, dacht aan verwurging van het dier. Een mening die gedeeld wordt door een andere ingeroepen deskundige, de veearts Luurs uit Noordhorn. Luurs is verteld dat het gestorven paard tevens achterover lag, wat volgens hem niet gebeurt bij koliek. Nadien verklaart een knecht dat hij het paard voor 10 gulden in opdracht van de boer heeft gewurgd, zodat de boer 216 gulden verzekeringsgeld voor het dier kon opstrijken. In de maanden erna volgt een stroom van verklaringen waarbij het nooit helemaal duidelijk wordt, hoe het paard nu gestorven is. De advocaat van de boer weet te bewijzen, dat de knecht rancune jegens de boer voelt, al vaker betrapt is op leugens en dat hij reeds eerder veroordeeld is voor een zedenmisdrijf. Na de slacht kan een veearts uiteraard moeilijk vaststellen of er sprake is van verwurging. Hij moet daarom afgaan op de verhalen van de andere knechten en de boer en deze wezen in de richting van koliek. Het verhaal van de slager, die de kleur van de ingewanden direct na de slacht beschrijft, wijst echter op een andere doodsoorzaak. Lameris getuigt hierna dat hij misschien ‘overijld’ gereageerd heeft, maar dat hij met de informatie die op dat moment voorhanden was geen andere verklaring kon geven. Dit geval zal ‘d’olle peerdedokter’ niet in de koude kleren zijn gaan zitten, want de zaak duurt bijna een jaar. 

Misschien is het mede door het overlijden van Jacoba en deze zaak wel zo dat hij het bij zijn 50-jarig jubileum in 1912 voor gezien houdt met de ‘veeartsenij’. Tijdens een feestmaaltijd wordt hij door zijn collega’s geëerd en als ‘mentor’ geroemd. Van de ‘Directeur-generaal der Landbouw’ krijgt hij het ridderkruis van Oranje-Nassau opgespeld. Dat de laatste jaren voor hem niet makkelijk waren horen we ook tussen de regels door in het laatste couplet van het lied dat ter gelegenheid van zijn afscheid en jubileum ten gehore werd gebracht:

"Op vijftig jaar ziet ge terug nu vandaag,
Ze gaven u vreugd en verdriet;
Maar zoek in gedachten de lichtpunten saam,
En denk aan het leed liever niet.
De toekomst, zij geve u rust na den strijd.
Wij allen, wij houden een zetel bereid,
En heeten u graag onze gast.”

Fonds

Op 7 september 1916 overlijdt Kornelis Jacobus Lameris. In een in memoriam staat:

“In de diergeneeskundige kringen en ook daarbuiten nam Lameris een veel beteekende plaats in. [...] Hij streefde er naar de beoefenaars der diergeneeskunde op een hoog wetenschappelijk en een voor hen passend, maatschappelijk peil geplaatst te zien. [...] De nagedachtenis van Lameris zal door de dierenartsen, vooral in het Noorden, steeds in hooge eere worden gehouden.”

In zijn testament heeft hij laten vastleggen dat zijn vermogen van 10.000 gulden toekomt aan de bewoners van Warffum. Hij legateerde het bedrag onder de naam Fonds Jaco en bepaalde dat het geld besteed moest worden “voor beschaving en ontwikkeling van de volksklassen in de gemeente Warffum, leidende tot een blijmoedige, gezonde en ruime wereldbeschouwing.” Vandaag de dag bestaat het fonds nog steeds en het huidige bestuur tracht nog altijd de wens van de allereerste veearts van Warffum uit te voeren.