Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1945

Gevorderde auto's, een kampgevangene en Pools witbrood

Verhalencafé Tweede Wereldoorlog

Op vrijdagochtend 12 april 2019 vond in woonzorgcentrum Ahorst in Musselkanaal een verhalencafé plaats met de Tweede Wereldoorlog als thema. Het selecte gezelschap wisselde verhalen en herinneringen uit over onder andere

Gevorderde auto's, een kampgevangene en Pools witbrood

'Evacuatie. Op weg naar Wedde.' - tekening van Jan Wolthuis

Geertje Wubs-Westendorp (1930): Op 10 mei 1940 was ik me aan het aankleden om naar school te gaan, toen mijn moeder zei: 'je gaat vandaag niet, het is oorlog.' We woonden in Jipsingboertange. De oorlog hing al een tijdje in de lucht, maar het was toch nog onverwacht.'

Ruud Wolbers (1937): We hadden een fietsenzaak bij de sluis in Ter Apelkanaal en in de meidagen van 1940 wilden ze die opblazen. We hadden al stropakken voor de deur om het huis te beschermen, maar het ging niet door.'

Ik had een joods vriendinnetje, Truusje van Os. Ze woonde in de bocht van het Ter Apelkanaal. ze waren heel rijk. We speelden vaak samen achter het huis. Daar was een betonnen bak, die eigenlijk bedoeld was voor afval, maar die leeg was. Dat was ons huisje. Truusje was een mooi meisje, met pijpenkrullen. Ik herinner me dat ze een gele ster op hun kleding droegen. Toen ze weg zouden gaan, wilde vader Van Os ons van alles geven, maar mijn vader wilde niets hebben.

Op een ochtend riep mijn moeder: 'O, o, kinderen, kom van bed af, ze heben de Van Osjes meegenomen!' Er is een plaquette voor de slachtoffers en als ik erlangs rijd, groet ik altijd nog even: 'Dag Truusje.'

Wolbers: 'Ik had vijf oudere broers, die voor de oorlog vaak naar Duitsland gingen om te smokkelen. Ze smokkelden van alles: zeep, koffie, boter, varkens, paarden, staven scheerzeep... Mijn oudste broer had een theekastje vol met Duitse briefjes van honderdduizend. Er waren smokkelaars bij die er de kachel mee aanmaakten; het geld was bijna niets waard.'

Eten

Wolbers: 'Mijn vader, mijn broers en ik waren altijd bezig met fietsen en auto's. Iedereen wilde natuurlijk banden hebben, maar die waren heel schaars. Mijn broers sneden stukken uit oude autobanden en legden die om fietswielen. Mijn vader had zijn voorraad banden onder de grond verstopt. Met boeren ruilde hij die voor rogge, of voor koolzaad. Dat maalden we in de kelder, waar je rechtop kon staan, tot olie.'
Alie Dusseljee (1937): 'Bij ons thuis gebeurde dat ook. Ik herinner me dat de buren 's avonds langs waren geweest en dat ik me de volgende ochtend afvroeg wat die kleine groene stukjes toch waren. Dat bleken de stukgeperste zaadjes.'
Wolbers: 'Aan eten hadden we geen gebrek, hier op het platteland. We aten vaak ruirom [een soort boekweitpap], met een beetje vet in het koeltje [kuiltje]. En heel vaak aten we pankouken.'
Jan Wolthuis (1937): 'Genoeg te eten, maar het was moeilijk smakelijk te maken.'

Schaarste

Wolbers: 'Mijn vader had een schaap, maar op een dag werd dat ontdekt. Ze zouden terugkomen om het schaap in beslag te nemen. Mijn vader zette tot die tijd het schaap aan een touw in het kippenhok. Maar ondertussen moest mijn ene broer het touw zodanig bewerken dat het het doorgesleten was. Mijn vader slachtte het schaap in de kelder en de broer boven mij moest een gat graven van wel drie meter diep om het schapenvel in te begraven. Toen het zou worden opgehaald, bleek het schaap van de aardbodem verdwenen: 'Ontsnapt!' zei mijn vader. Er werd een Duitse officier bij gehaald, maar mijn vader kon heel goed praten. 'Houd je toch stil!' waarschuwden ze hem wel. Hij heeft van alles gedaan, maar is nooit gearresteerd.'
Alie Dusseljee: 'Als kinderen hielpen wij mee. We werden er met een oude tas op uit gestuurd en haalden sprokkelhout onder de hagen vandaan. En we zochten peukjes. Van die stompjes maakte mijn vader dan nieuwe sigaretten. Peukenzuikers waren we.'
Wolbers: 'Mijn vader had zijn eigen tabaksplantjes. Daar kauwde hij dan op. Sloatje kauwen.'

Met een bijl stukgeslagen

Wolbers: 'Op een dag kwamen er Duitse soldaten in de winkel. Die kwamen heel vaak, want ze namen steeds fietsen mee. Een van hen ging even pinkeln en toen ontdekte hij achter een aantal auto's. Mijn vader had ook een taxibedrijf. 'Moet je kijken!' riep die en ze vertrokken met acht fietsen, een Ford en een Chevrolet. Die lieten ze overschilderen in Duitse kleuren. Een paar weken later reden die wagens zo voorbij, we herkenden ze nog.

Vader had ook een Graham, een luxe wagen voor acht personen, met een stuur van ivoor, een prachtige auto. Hij wilde koste wat kost voorkomen dat de Duitsers die auto in handen kregen. Met een bijl heeft hij hem stukgeslagen. Zo jammer, de buren hebben erbij staan huilen. Vader had ook een Opel Olympia, een cabriolet met een leren dakje en een bandje achterop. Van de steenfabriek van Niemeijer kregen we turven, maar ook het idee om die auto onder de turf te verstoppen. Ze hebben de turf er helemaal omheen gebouwd. Na de oorlog heeft mijn broer er wel in gereden.'

Duiven

Wolbers: 'Het was na de oorlog en mijn vader moest de pastoor naar het NSB-kamp in Sellingen brengen. Ik was achterin de auto gekropen en toen mijn vader me ontdekte, was hij kwaad. Ik moest blijven wachten bij Potze, die vlakbij het kamp woonde. Hij had duiven en toen kreeg ik er een paar van hem, met de instructies dat ik de kooi niet open mocht doen totdat ze eieren hadden gelegd. Ik maakte thuis een deel van het varkenshok schoon en kreeg mijn eigen duivenhok. Maar ik kon niet wachten op die eieren. Ik deed de klep van het kooitje open en eerst bleven ze zitten. Toen ik zwaaide met mijn armen, vlogen ze op om regelrecht naar Potze terug te vliegen. Mijn vader vond me zo dom! En Potze ook, maar ik kreeg nog een keer een paar vogels mee.'

De dood van Gerrit Buwalda

Wubs: 'Mijn broer is opgepakt en anderhalf jaar weg geweest. Toen hij thuiskwam, woog hij nog zeventig pond. Hij was uitgehongerd en helemaal grauw, hij was 22 jaar. In een kamp in Nordhorn moest hij werken zonder eten.
Hij werd opgepakt tijdens de meistaking van 1943. Onze buurman, Gerrit Buwalda, werd toen doodgeschoten in onze tuin. Hij had zogezegd opgeruid tot staking. Alles wat in dienst was geweest, moest opkomen voor de Arbeidsinzet en daartegen ontstond landelijk verzet, dat waren de meistakingen van '43. De buurman werd opgepakt en meegevoerd. Het zoontje van vier riep 'Papa pakken' en werd door zijn moeder teruggeroepen. Meteen daarna kwam er een soldaat naar haar toe die zei: 'Was dat je man? Dan ben je nu een jonge weduwe, want we hebben je man doodgeschoten.' Ze had het buikje vooruit, was hoogzwanger.'

'Het ging zo snel, ik was toen dertien. We zaten met z'n allen binnen, toen we vreemde geluiden hoorden bij de buren. Vader waarschuwde: 'Allemaal binnen blijven!'
Toen werden wij ook naar buiten gehaald. 'Wie is de jongste zoon?' werd er gesnauwd. Die moest mitkommen. Mijn broer zei: 'Dat doe ik niet', maar toen kreeg hij een geweer op zijn borst gericht en zei hij: 'Ik kom al.'
Mijn vader protesteerde nog: 'Hij doet toch niks!' Maar ook hij kreeg een geweer tegen zijn borst. Mijn broer is meegevoerd naar het Scholtenhuis. Daarna naar Kamp Amersfoort en daarna naar Kamp Vught. Dat kamp was volgens hem het ergst: daar waren veel joden die allemaal moesten werken. Ze moesten stenen stapelen en kregen geen eten. Ze kregen slaag. Alles wat lopen kon, moest helpen, en de volgende dag moesten ze die stenen weer terugbrengen en opstapelen op de plek waar ze gelegen hadden.' Toen naar Nordhorn, waar ook veel Russische krijgsgevangenen waren en hij zelf moest werken zonder eten. Ruim anderhalf jaar later kwam hij thuis, de dag vóór Dolle Dinsdag [5 september 1944]. Rijkscommissaris Seyss-Inquart was jarig geweest en in het kamp hadden ze allemaal een wens mogen doen. Vijf van die wensen werden vervuld: vijf gevangenen werden vrijgelaten, een cadeautje van de Führer. In het begin kon hij niet meer eten. Zes keer per dag voerden we hem kleine beetjes, tot hij weer aansterkte.'

Ganzedijk

Jan Wolthuis (1937): 'We woonden in Ganzedijk. 's Nachts kwamen geallieerde soldaten met werpmessen het Duitse kamp binnengedrongen. Die hebben Duitsers wachtposten doodgegooid. De volgende dag hebben de Duitsers alle mannen uit Ganzedijk bij elkaar tegen de muur gezet. Maar gelukkig niet geschoten. Ze mochten weer naar huis. De Duitsers probeerden toen nog fietsen te vorderen, maar dat lukte niet.
Vader en ik stonden bovenaan de dijk. In de verte zagen we de tanks van de Polen naderen. Vader zei: 'Nu als de bliksem de kelder in', maar voordat wij in de kelder waren, zaten ze ons al op de hielen. Ze konden het Duitse geschut in de Carel Coenraadpolder niet krijgen en zijn teruggegaan. Even waren we bevrijd. Maar toen kwamen de Duitsers weer en ze gooiden door elke brievenbus een briefje dat we om 10 uur de volgende vertrokken moesten zijn. We zijn naar Wedde gegaan, waar een zus van mijn vader woonde. Haar man had een bakkerij. Toen we daar aankwamen, waren Poolse soldaten bezig brood te bakken. En wat voor brood, zo wit als melk! Met rode aarbeienjam. We hebben gegeten tot we stènzat waren.'

Saamhorigheid

Alie Wolthuis-Dusseljee (1937): 'Finsterwolde werd ook geëvacueerd. Eerst gingen we naar Winschoten, toen door naar familie in Oude Pekela. Mijn vader tilde zijn vader, die niet meer kon lopen, op een kar. Maar hij wist niet waar die kar naartoe ging! We hebben opa nog wel teruggevonden.
Mensen stonden in de oorlog zo dicht bij elkaar. Ook in de hongerwinter. Er kwam een vrachtwagen door het dorp en vader zette er pakketten op. De aardappelen gingen naar Rotterdam en de familie daar stuurde er jurken voor terug. En overal waren mensen die evacués wilden opnemen. Wij hadden een Rotterdams kereltje, heel brutaal. En toen we vluchtten met de bevrijding zeiden mensen overal: 'kom maar bij ons!' Die eensgezindheid zal ik me mijn leven lang herinneren.'
Jan Wolthuis: 'Na de bevrijding was die saamhorigheid helaas 'niet meer nodig'. Toen zorgde iedereen weer alleen voor zichzelf.'

Vies

Alie Dusseljee: 'Ik herinner me hoe de Duitsers langskwamen nadat we bevrijd waren. Gepakt en gezakt, in lange rijen. Wat zullen ze zich vies gevoeld hebben, letterlijk en figuurlijk. Ze waren de baas geweest, maar nu moesten ze luisteren.'
Een hele rij oude mannen, Duitsers, liep naar Beerta. Wij, als kinderen, moesten erlangs om naar school te gaan. We mochten er niet zomaar voorbijlopen, ze werden niet vertrouwd. We moesten onder begeleiding van de hoofdmeester langs die soldaten. Een van die soldaten wilde mijn zusje wat geven, maar dat mocht niet.'

<p>Een lange rij Duitse soldaten tijdens de aftocht. - Foto: Collectie Gemeente Winschoten</p>

Een lange rij Duitse soldaten tijdens de aftocht. - Foto: Collectie Gemeente Winschoten