1815-1945

Gemeentehuis in de kroeg

Gemeentehuis in de kroeg
Hotel - Café - Rest. "'t Gemeentehuis" - Bedum (Gr.), ansichtkaart uit 1980. - www.beeldbankgroningen.nl (1986-24785)

“Börgemester”, zo begint een verhaal uit 1925 van de Westerwoldse auteur J.H. Neuteboom, “zat op ’t gameintehoes, dat dou destieds bie vrau Boomekamp was.”

Het is voor de hedendaagse lezer in eerste instantie een wat verwarrend zinnetje. Niet zozeer doordat de burgemeester op het gemeentehuis zat, waar Neuteboom in het gemeentehuis bedoelt. Nee, door de lokalisering van dat gemeentehuis bij mevrouw Boomekamp. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Was haar pand bekender dan het gemeentehuis, zodat er bij de lokalisering van het laatste verwezen moest worden naar het eerste? Of zat de burgemeester misschien in de kost bij deze mevrouw?

Nee. Zoals uit het vervolg bij Neuteboom blijkt, was er iets heel anders aan de hand. Veldwachter Boulm maakt zijn opwachting bij de burgemeester, die nog wat aan het schrijven is. Neuteboom geeft dan een nieuwe aanwijzing over de lokatie en de hoofdfunctie van het pand, waarin de burgemeester zetelt: “Achter ’t beschot in de jachtweide zat vrau Boomekamp te prooten mit Harm Eilerts van de Wieke, dij ’n kind angeven kwamp.”
Oftewel: de burgemeester – die in zijn eentje nog vrijwel het gehele ambtelijke apparaat vormde – had in een herberg of café een werkruimte, die slechts door een schotje afgezonderd was van de gelagkamer. En deze jachtweide diende weer als wachtruimte voor mensen die bijvoorbeeld een geboorte, huwelijk of sterfgeval kwamen aangeven.

Herberg

Een dergelijke toestand, dat het gemeentehuis gevestigd was in een horeca-gelegenheid, bestond in heel veel Groningse gemeenten nog ver in de hele negentiende eeuw, of zelfs tot in de twintigste. Veel herbergen die gemeenten onderdak boden heetten toen ook Het Gemeentehuis, ten teken dat de plaatselijke overheid zoveel vertrouwen in de uitbaters had, dat ze er ruimte van huurde. Hier en daar, zoals in Eenrum, is die naam overgeleverd tot op de dag van vandaag.

Het Nieuws van den Dag van 16 februari 1881 verbaasde zich erover, hoeveel van dergelijke gemeentehuizen er nog in het Westerkwartier waren:

“In de prov. Groningen is het geenszins eene bijzonderheid, dat het raadhuis eener gemeente in eene herberg is gevestigd. De volgende gemeenten in die provincie grenzen aan elkander en hebben allen het huis voor de beraadslagingen hunner vroede mannen in eene herberg: de Leek, Marum, Grootegast, Grijpskerk, Zuidhom, Aduard en Hoogkerk.”

Uithuizermeeden

Vanaf de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 is het voor veel gemeenten vrij eenvoudig na te gaan, in welke herbergen het gemeentehuis zetelde en waar dus de aangiften voor de burgerlijke stand plaatsvonden. Neem Uithuizermeeden. Vanaf 1811 resideerde de gemeente hier in “de van ouds bekende herberg (…) alwaar de Roos op het uithangbord” stond, vlakbij de kerk. In 1871, toen herberg De Roos gesloopt werd, ging het bescheiden gemeentelijke apparaat er naar een andere horeca-gelegenheid, te weten De Witte Kidde in de Molenhorn (dat is de buurt waar tegenwoordig het spoor de hoofdweg kruist). Pas in 1907 voldeed dit logement niet langer aan de eisen:

“De brandveiligheid van de secretarie was onder de maat en het feit dat de veldwachter burgers bij de burgemeester moest aandienen in de gelagkamer werd als niet passend beschouwd. Ook vond men het ongewenst dat iemand die aangifte van geboorte of overlijden kwam doen verplicht was in de herberg een consumptie te gebruiken.”

Vervolgens kwam er een echt gemeentehuis tot stand, een gebouw dat er nu nog steeds staat, al is het de functie sinds de gemeentelijke fusie van 1979 kwijt. Vanaf 2008 fungeert dit pand – verrassing! – als horeca-gelegenheid.

Café 'Gemeentehuis in Kloosterburen. - Foto: J.A. Douma, 1972, www.beeldbankgroningen.nl (818-7900)
Café 'Gemeentehuis in Kloosterburen. - Foto: J.A. Douma, 1972, www.beeldbankgroningen.nl (818-7900)

Belangenverstrengeling?

Uit het geval Uithuizermeeden blijkt dat er eertijds tussen de horeca- en de overheidsfunctie ook wel eens een persoonlijke verbinding bestond. Meindert Jacobs Sterenberg (1799 – 1871), de erfgenaam, eigenaar en uitbater van De Roos bleef namelijk herbergier van beroep, terwijl hij tevens ambtelijke en politieke functies ging vervullen in zijn eigen onderkomen. Vanaf 1822 was hij schrijver bij de gemeente en naderhand schatter van de personele belasting. Nog weer later werd hij gemeenteraadslid, wethouder en loco-burgemeester, om ons te beperken tot de gemeentelijke functies. Kennelijk bestond er tegen de vereniging van al zulke functies in één persoon geen overwegend bezwaar.

In 1867, toen hij politiek al uitgerangeerd was, kwam er aan de ambtelijke functies van Sterenberg een eind, omdat de toen vrij nieuwe burgemeester “het kantoor gewend” was en – na een aanloopperiode – zelf het schrijfwerk ter hand wilde nemen. Daardoor liepen de reguliere jaarinkomsten van Sterenberg terug van 600 naar 400 gulden, terwijl tegelijkertijd zijn oude herberg “uit de mode” raakte.
Sterenberg was een zelfbewust man, getuige de autobiografie die hij op het eind van zijn leven schreef. Teun Juk maakte er uitgebreid gebruik van voor het hoofdstuk dat hij aan Sterenberg wijdde in het boek Meij 650 en uit dat hoofdstuk putten wij weer voor het bovenstaande.

Hotel Nieuwburg en 't gemeentehuis Blijham, ansicht uit ca. 1920. - www.beeldbankgroningen.nl (1986-22034)
Hotel Nieuwburg en 't gemeentehuis Blijham, ansicht uit ca. 1920. - www.beeldbankgroningen.nl (1986-22034)

Dit verhaal is een samenvoeging van drie stukjes die eerder zijn gepubliceerd op de weblog
Loket voor Lief en Leed – 200 jaar Burgerlijke Stand.