Van Adorp tot Zuurdijk

1914-1945

Een jeugd in de Radijsstraat

In het noorden van de stad Groningen, in een straat met prachtige bomen waaraan ’s zomers oranje kraaltjes bloeien, heb ik mijn jeugd doorgebracht. De Radijsstraat was een lange straat van ongeveer honderd woningen aan de kant waar wij woonden; vijftig beneden, vijftig boven. Mijn zus en ik wisten de namen van alle mensen die er woonden en niet alleen de namen, ook alle bijzonderheden, voor zover men daar natuurlijk open over was en anders fantaseerden we die er wel bij.

De 'oranje kralen', lijsterbessen in de Radijsstraat. - Foto: vervaardiger onbekend
De 'oranje kralen', lijsterbessen in de Radijsstraat. - Foto: vervaardiger onbekend

De huizen aan onze kant waren van de christelijke woningbouwvereniging ‘Patrimonium’. De meeste bewoners gingen naar een kerk. Aan de overkant stonden huizen van particulieren, daar woonden de ‘heidenen’. In de straat achter die van ons woonden de ‘roomsen’. In de brandgangen die de straten scheidden, stonden regelmatig kinderen te joelen:

‘Roomse papen
klimmen als apen
hoog in de bomen,
om dicht bij Maria te komen.’

Wat de ‘roomsen’ terug joelden weet ik niet meer.

Onderling genoegen

Ik voelde me veilig in de straat, ze was een verlengstuk van de huiskamer. In de zomer waren we iedere avond op straat te vinden en deden spelletjes. Later, toen we wat groter waren, hingen we in de deuropening om gezien te worden door de jongens. De straat eindigde in een stadswal die behoorlijk steil was. Er zijn heel wat knieën kapot gegaan bij het op- en afrennen, maar je wilde natuurlijk niet onderdoen voor je vriendinnen. Er was een stang bovenop de stadswal gemonteerd waarop de jongens zaten om de meisjes te beoordelen, na te fluiten of uit te schelden. In de wal was een trap die leidde naar de speeltuin. De naam van de speeltuin was ‘Onderling Genoegen het Noorden’.

Als er een film werd gedraaid van ‘De Dikke en de Dunne’ was er van het onderling genoegen niet veel te merken. De meeste keren was er ruzie tussen de jongens, dan werd de film stilgelegd tot de ruzie bedaard was en de jongens verwijderd waren. Als je verder liep dan de speeltuin leidde het pad uiteindelijk naar het kerkhof. Dit was een geliefd gebied voor de jongelui die met elkaar verkering hadden. In een boom daar ergens moeten nog mijn initialen staan, plus die van mijn vriendje destijds.

Duitsers

In de oorlog hadden de Duitsers bezit genomen van het speeltuingebouw en er een hekwerk van houten paaltjes omheen gezet. ’s Avonds groeven we (een aantal buurtkinderen bij elkaar) de paaltjes uit de grond. Dat was levensgevaarlijk; de Duitsers schoten nogal gauw, vooral tegen het eind van de oorlog. Onze moeders hadden dat zeker niet door, want ze waren blij met het hout voor de kachels. Ik vond de oorlog in het begin nogal verwarrend. De Duitse soldaten marcheerden door de straat op de maat van de prachtige liederen die ze meerstemmig zongen. Je kon je toch niet voorstellen dat zulke mensen kwade bedoelingen hadden. Ik genoot er van, maar werd streng door mijn ouders tot de orde geroepen.

Spelende meisjes, ca 1920-1940. - Foto: P.B. Kramer, www.beeldbankgroningen.nl (1785-17325)
Spelende meisjes, ca 1920-1940. - Foto: P.B. Kramer, www.beeldbankgroningen.nl (1785-17325)

Bommen

Er was veel solidariteit in de oorlog. Als de sirenes het onveilig signaal gaven en er een auto met een man met megafoon door de straat reed om te waarschuwen voor een luchtaanval, moesten we in de kelder kruipen. Maar de bovenwoningen hadden geen kelders. Wij woonden boven en zaten dan bij de benedenburen in hun kelder. Die luchtaanvallen vielen wel mee, maar dat wist je nooit van te voren. Het was steeds weer angstig. Op een zaterdagmiddag liet een vliegtuig zijn bommen vallen vlak achter onze straat, in het weiland. De hele straat liep uit om te kijken. Mijn kleine broertje zat nietsvermoedend op zijn potje met zijn duimpje in de mond, met een vingertje krulletjes in zijn haar te draaien. Mijn moeder schoof hem nog gauw even onder de tafel. 's Avonds kon hij niet in slaap komen vanwege het geluid van de vele vliegtuigen die iedere avond over onze straat kwamen om in Duitsland te gaan bombarderen.

Mijn broertje was bang. De dokter had tegen mijn moeder gezegd dat zij hem niet uit bed mochten halen, hij zou er wel aan wennen. Ik was tien en ik vond dat veel te zielig. Stiekem ging ik naast zijn bedje zitten, heel zachtjes zingend en pratend tot hij in slaap viel. ‘Het heeft dus toch geholpen’, zeiden mijn ouders. De hele lucht was rood toen de binnenstad in brand stond. Wij wisten toen nog niet dat het alleen maar de binnenstad was. Ik dacht echt dat ‘het laatste oordeel’ of iets dergelijks was gekomen.

Geloof

Toen gebeurde er iets dat een scheur veroorzaakte in het gevoel van verbondenheid. Er kwam ruzie in de kerk. Ik was erbij toen op een zondag twee dominees op de preekstoel stonden en een verschillende mening hadden over bepaalde geloofspunten. Ze wilden geen van beiden de preekstoel verlaten omdat ze beiden gelijk dachten te hebben.

Ik heb dit, zo jong als ik nog was, als pijnlijk ervaren. Er gebeurde iets met mijn gevoel van stabiliteit en vertrouwen. Misschien is toen wel de grondslag gelegd voor mijn later gevoel van ongeloofwaardigheid van de kerk. De sfeer in de straat veranderde, als gevolg van de ruzie, totaal. Er kwam een tweedeling; de ene helft was vrijgemaakt, de andere synodaal. De ouders van mijn beste vriendin slingerden heen en weer en konden geen keus maken. Uiteindelijk kozen ze voor vrijgemaakt terwijl mijn ouders synodaal waren. De zorgeloze kindertijd was voorbij. We splitsten de mensen op: wie hoorde bij ons en wie niet. We werden natuurlijk beïnvloed door onze ouders, maar ons gevoel van saamhorigheid was verdwenen.

Toch wil ik eindigen met nog even de aandacht voor die mooie bomen; ze staan er heden ten dage nog en soms rijd ik even door die straat en geniet ervan, nog meer als vroeger. Ze hebben heel wat te vertellen maar ze zeggen niets. Daarom heb ik het maar gedaan.