Onderweg

1815-1914

'Een ijzeren monster doorkruist mijn mooie rechte stukken land'

In 1865 kwam het moderne leven naar het Groningse plaatstje Den Horn. De spoorlijn Groningen-Leeuwarden werd in dat jaar door het dorp getrokken. Volgens de planning moest de trein door het land van landbouwer Martinus Boelens rijden en daarvoor moest een deel van zijn grond worden onteigend. De vergoeding die Martinus hiervoor zou krijgen, vond hij veel te laag. Hij liet het er niet bij zitten en ging protesteren bij de minister van Binnenlandse Zaken.

'Een ijzeren monster doorkruist mijn mooie rechte stukken land'
Hornheem bij Den Horn, het geboortehuis van Martinus Boelens

Martinus Jacobus Boelens (1824-1898) was landbouwer op Hornheem in Den Horn, een dorp vlakbij Aduard. Hij stamde uit een welvarende familie. Zijn oom, Cornelis Boelens, was burgemeester van Aduard en woonde op de borg Piloersema in Den Ham. Zelf was Martinus gemeenteraadslid en wethouder in Aduard. In 1863 trouwde hij met zijn achternicht Catharina Jacoba Boelens (1830-1911), een kleindochter van Cornelis.

Martinus en Catharina kregen drie dochters. Twee ongehuwde dochters erfden samen het familiebezit. Deze Anna en Jacoba Boelens verpachtten het boerenbedrijf en lieten een villa bouwen aan De Gast in Zuidhorn. Jacoba overleed als laatste in 1951 en haar hele nalatenschap, inclusief villa, boerenbedrijf en alle landerijen liet zij na aan de parochie St. Joseph in Zuidhorn. De kinderen van de enige gehuwde zuster erfden niets.

Onteigening en schadevergoeding

Voor de aanleg van de spoorweg moest Martinus, van verschillende percelen, in totaal twee bunder, zeven roeden en achtenveertig ellen afstaan. De staat moest sloten maken tussen het spoor en de grond en het onderhoud zou voor de helft door de staat en voor de andere helft door de landeigenaar gedragen worden. De grond die daarbij vrij zou komen, zou geheel verwerkt moeten worden door de landeigenaar. Verder was aan Martinus op diverse punten recht van overpad vergund over andere onteigende gronden, om zich naar zijn percelen te kunnen begeven. Ook werd speciaal voor hem een overgang over de spoorlijn gecreëerd.

Martinus zou een schadevergoeding krijgen van 6326,84 gulden, maar die weigerde hij. Daar schoot hij niets mee op, vond hij. Bovendien wilde hij laten merken dat hij ‘en zoovele anderen’ met hem, ‘op eene geheel tegen de wet op de onteigening indruischende wijze, van hunne eigendommen zijn ontzet’. Hij beklaagde zich over de wijze waarop ‘de gemagtigden van den staat hebben gepoogd den eigendom der gronden’ te verkrijgen’. Dit moest eigenlijk bij ‘minnelijke overeenkomst’. Als dat niet lukte, dan pas kan de grondeigenaar voor de rechter worden gedaagd.

Meten en waarderen

En waaruit bestaan nu de pogingen die de ‘gemagtigden van den staat bij adressant ’ hebben aangewend? Op ‘eenen zekeren’ dag in 1864 kwamen door het land van Martinus twee mannen aangelopen. Mr. de Marees van Swinderen van Ezinge kwam jagende (!) en Doornbos van Groningen 'maakte in een notitieboekje eenige aanteekeningen'. Martinus ontdekte verbaasd dat beide heren op deze manier zijn land opnamen en waardeerden. Op basis van hun waarnemingen deed de staat Martinus een aanbod tot schadevergoeding voor de onteigening. Martinus kreeg te horen dat de staat hem ruim 5600 gulden zou uitkeren. Hij vroeg of dat de prijs per bunder was, maar het bleek het totale bedrag te zijn.

Vervolgens werd een groot aantal landbouwers uit de omgeving van Martinus opgeroepen om naar Groningen te komen. Ook van hen zouden gronden worden onteigend. Deze bijeenkomst was belegd om tot overeenstemming te komen. Martinus, van wie de meeste grond zou worden onteigend, werd niet opgeroepen. Uit nieuwsgierigheid ging hij toch mee naar de Stad. Toen men evenwel vernam dat hij ook aanwezig was, ‘gaf men hem ook eene beurt, doch gaf hem niets meer te kennen dan hij reeds van den Heer Doornbos had vernomen’. Deze toenaderingspogingen tot de landbouwers kunnen eerder ‘beschouwd worden als middelen om van het dikwerf niet zeer ontwikkelde verstand en de bedeesdheid in regtszaken van de landbouwers misbruik te maken en op die wijze hun eigendom tegen lage prijzen te ontfutselen.’

Martinus moet toezien hoe men ‘alzoo zijne schoone landerijen geheel gaat verminken’.

Versnijden en verminken

Martinus moest toezien hoe men ‘zijne gave, vierkante, optrekkende stukken land versnijdt en herschept in misvormde, op betrekkelijk verren afstand van elkander gelegene stukken en alzoo zijne schoone landerijen geheel gaat verminken’. Bovendien vroeg Martinus zich af welke waarde de van zijn boerderij afgescheiden landerijen nog zouden hebben bij een eventuele verkoop van zijn land. Om die schade vergoed te krijgen, vond hij dat hem het dubbele bedrag moest worden uitgekeerd. Ook wilde hij een vergoeding voor de moeite die hij na aanleg van de spoorlijn moest doen om de percelen aan de andere kant van het spoor te bereiken. Die vergoeding kreeg hij niet. 

Dit vond Martinus zeer onterecht, want ‘kan men een aanmerkelijk zwaar voer graan, hooi enz. over eenen effenen grond met eenen zwakken wagen en één paard vervoeren bij eenen 1.30 el hoogen oprid is wel eenen sterken wagen en minstens twee paarden daartoe noodig’, vond hij. Martinus berekende zelf een schadevergoeding van 16.513,28 gulden. De staat beloofde hem 10.000 gulden minder. Hij was hier erg verbolgen over en vond het ‘ergerlijk’, ‘onregtmatig’ en ‘tegen de wet op de onteigening’. Het bezwaarschrift van Martinus werd mede ondertekend door 32 landbouwers uit Hoogemeeden (nu: Den Horn) en omgeving, als steunbetuiging.