Van Adorp tot Zuurdijk

1945-1989

Een droom met een prijskaartje

Mijn ouders trouwden in 1941 en kregen in de oorlog 4 kinderen, waarvan het eerste overleed. Zij beheerden in die tijd een leesbibliotheek aan de Bedumerweg. De Bedumerweg was toen een winkelstraat. De broer van mijn moeder, Egbert Storm, had aan deze straat een rijwielherstelwerkplaats. Bovendien dreven mijn opa en oma er een galanteriezaak. Opa ging met de galanteriekar langs de deuren. ’s Nachts paste hij op de vuren bij de stroopfabriek.

Op de hoek van de Bankastraat en Riouwstraat was een kruidenier waar we met een kan stroop haalden. Verder was er het snoepwinkeltje van Pikkert, kapper Rensema, kaaswinkel Ganzendam, groenteboer Riksten, slager Beukema, een sigarenwinkeltje, bakker Bos, bloemenhandel Westerhof, melkhandel De Vries en drogist Pol. De Gruyter bezorgde één maal in de week boodschappen met ‘het snoepje van de week’.

Hard werken voor een droom

In 1948 verhuisden we naar de Bankastraat, toen nog gescheiden van de Bedumerweg door het Boterdiep. ‘s Winters konden we over het ijs naar mijn grootouders lopen, ‘s zomers gingen we over de dam bij de Sumatralaan. Mijn vader had een droom: een winkel beginnen. Dit was het Noorder Duivensporthuis; veel later werd het een begrip, maar voorlopig was het heel hard werken om het hoofd boven water te houden.

Vader ging ’s ochtends om 6.00 uur de deur uit om koffie te schenken bij busstation de Marne in het Brouwerstraatje, deed daarna een krantenloop en ging vervolgens naar de winkel. Na het avondeten paste vader op de fietsen van de Zeevaartschool tot 22.30 uur. Ook moeder had meerdere banen. Zij ging naar werkhuizen bij artsen van het Academisch Ziekenhuis. ’s Middags stond ze in de winkel en deed daarna haar krantenloop. Ik, 6 jaar, moest mee om de trappen te lopen, daar was moeder te moe voor.

De winkel omstreeks 1950 - Foto: familie Boot
De winkel omstreeks 1950 - Foto: familie Boot

Er kwamen in de winkel meer dwangbevelen van de belasting binnen dan klanten. Als er een klant kwam, hield mijn vader deze aan de praat en fietste mijn moeder naar de groothandel om het bestelde op te halen. Op een keer kwam een joodse klant in de winkel, dhr. Hart, en die zei: "Boot, dit kan niet," en hij gaf mijn vader een renteloze lening om voorraad te kopen. Dit is de omslag geweest waardoor mijn vader door kon gaan en hij is het nooit vergeten!

Kip

Vrijdags kwam dhr. Timmer altijd langs met zijn haringkar. Timmer vroeg een keer of mijn vader een kip voor hem had. Ik was in de winkel en een jaar of vijf. Mijn vader haalde één van onze eigen kippen, waarna Timmer de kip op de toonbank legde en met een mes de kop afhakte. Ik gilde het uit toen de kip onthoofd door de winkel fladderde.

Eén kamer

Wonen en slapen deden we in één kamer achter de winkel. Wij, 3 meisjes (Wilhelmina, Tineke en Joke), sliepen in de bedstee, mijn ouders op een opklapbed. We luisterden naar ‘de bonte dinsdagavondtrein’ en ‘klim eens in de mast’ met de hamvraag.

Na een verbouwing van de winkel kregen wij kinderen een slaapkamer, maar sliepen nog samen in één bed. ’s Winters liep het water langs de muren en lag het ijs op onze doorgestikte deken. Op zaterdagavond gingen we in de tobbe en we kregen één maal per week schoon ondergoed aan. Gelukkig hadden we een oudtante die breide. Zo droegen we gebreide hemdjes, onderbroekjes, truitjes, rokjes, jurkjes en kniekousen.

Na nog een verbouwing aan de winkel kwamen er behalve dierenvoeders ook tropische vogels. Dat was nog harder werken, want elke dag, zowel ‘s morgens als ’s avonds, moesten de vogels worden verzorgd en de kooien schoongemaakt. We kregen een wolaap in de winkel, een kaketoe, een ara, en ik had een kleine aap als huisdier! Vele malen moesten we naar het bodenterrein aan de Bloemsingel om een vrachtje te halen of te brengen.

Willie in de winkel, na de verbouwing van 1959. - Foto: familie Boot
Willie in de winkel, na de verbouwing van 1959. - Foto: familie Boot

Duivenmelker

De winkel werd drukker, zeker omdat vader een ‘duivenmelker’ was, een expert op duivengebied. ‘s Zondags stond hij op het dak te rammelen en te fluiten met een bakje duivenvoer om zo snel mogelijk de duiven, die bijvoorbeeld in Frankrijk waren gelost, in het hok te lokken en de ringen te klokken.

Streng

Mijn vader was een strenge man en er was veel wat we niet mochten: geen oorbelletjes (dat was voor schipperskinderen), geen rock en roll kousen (dat was voor zigeuners), niet met blote voeten buiten en geen brood eten op straat. Wij wachtten altijd met het middageten, want er werd niet gegeten voor vader kwam; hij mocht namelijk niet het onderste uit de pan hebben. Vader kreeg de helft van het vlees en wij deelden de andere helft met ons vieren. Om 13.00 uur werd er zwijgend naar G.B.J. Hilterman geluisterd met de toestand in de wereld. Moeder stond soms de hele middag achter de wastobbe om onze kleren te wassen en bij de kachel te drogen, zodat we ze ’s maandags schoon aan konden trekken. Wij drietjes (4, 5 en 6 jaar oud) moesten vaak met onze blinde greyhound wandelen en liepen soms naar het Sterrenbos. Een hele wandeling voor kleine beentjes! 

Door het harde werken van mijn ouders was er weinig tijd en aandacht voor ons, zeker toen mijn jongste zusje kanker kreeg. Ik moest eens op driejarige leeftijd eens naar de kleuterschool in de Cortinghlaan lopen om te zeggen dat mijn oudere zusje ziek was. Aangezien wij veel op elkaar leken, werd ik direct in de hoek gezet omdat ik te laat was. Pas na twee uur kwam moeder kijken waar ik bleef en stond ik nog in de hoek.

Het was een tijd van hard werken, en weinig aandacht voor ons, kinderen. Maar de droom van vader kwam uit; na een aantal jaren was het een drukbezochte winkel, waar ’s zaterdags de klanten buiten stonden te wachten. Het Noorder Duivensporthuis: een begrip in Groningen en omstreken!

Vader Wieger Boot bij het duiven- en kippenhok, zonder jaartal. - Foto: familie Boot
Vader Wieger Boot bij het duiven- en kippenhok, zonder jaartal. - Foto: familie Boot