Verhalen uit de regio

1300-1914

Een bijzondere bult bij Marum

Vlakbij de Marumer kerk ligt een bijzondere bult. Pas enkele jaren is functie van deze vele eeuwenoude kleine hoogte bekend. Voordien deden onder de bewoners allerlei verhalen de ronde over de betekenis van deze verhoging, zoals onder meer een prehistorische heilige plaats, een grafheuvel, een terp of een molenberg. In 2012 werd bij archeologisch onderzoek de ware betekenis van de bult duidelijk.

Een bijzondere bult bij Marum

‘Marum in Vredewold 1672’, gewassen pentekening door J. Stellingwerf, vervaardigd tussen 1724 en 1756. – Tekening: Collectie Groninger Archieven

De ruim drie meter hoge heuvel, bekroond door een grote lindeboom, ligt westelijk van de kerk in een weiland. Die hoogte intrigeerde ook mij al jaren. Tijdens een wandeling met mijn kinderen, in 2010, vond ik er enkele brokken van kloostermoppen die uit de slootkant aan de westzijde van de heuvel staken. Naar mijn idee was dit vrijwel zeker een stinswier; een mogelijkheid die al langer werd geopperd.

De benaming stinswier verdient enige uitleg: het is een Friese benaming voor een kunstmatig opgeworpen hoogte (= wier) waarop een stins, een verdedigbaar stenen huis, heeft gestaan. Ooit hebben in Groningen en in Friesland honderden van deze huizen gestaan. Een flink aantal plaatsen daarvan in Friesland, is terug te vinden op de kaarten van de Friese Schotanus-atlas (1718).

Archeologisch onderzoek

In 2012 verrichtte de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) onderzoek in en bij de Marumer bult door het zetten van een groot aantal boringen. Landschappelijk blijkt de hoogte te liggen op een rug van dekzand, lopende van het zuidwesten naar het noordoosten. Daaronder ligt keileem, een zeer taaie leemsoort daterend van de voorlaatste ijstijd. De plek ligt zuidelijk van een vroeger beekdal uit die ijstijd, de ‘Oude Riet’ of het ‘Oude Diep’; de oude grens tussen de landsdelen Langewold en Vredewold.

Volgens een kadasterkaart liep in 1832 een gracht rond de heuvel, en was er nog een andere gracht rond de kerk. Het perceel waarop de bult ligt, was en is eigendom van de kerk. Dat kan een aanwijzing zijn voor een relatie tussen beide: mogelijk waren de eigenaren van het steenhuis betrokken bij de bouw van de kerk. De ligging van een stinswier bij een kerk is vrij gebruikelijk. Bij het onderzoek bleek dat ze in Marum beide uit dezelfde tijd dateren, afgaande op basis van het type bakstenen en kogelpotvondsten. Deze wijzen op een aanleg in de 13e eeuw en het gebruik van de stinswier tot in de 14e  eeuw. De gracht rond de stinswier was oorspronkelijk vierkant, met een breedte van 8 meter en een diepte van ongeveer 2,5 meter. Bij de wier lag – zoals ook elders vaak gebruikelijk – een voorterrein met bebouwing, hoogstwaarschijnlijk een boerderij.

Steenhuizen

De eerste steenhuizen waren – evenals de eerste stenen kerken – waarschijnlijk opgemetseld in tufsteen. Dit was een vulkanische steensoort, afkomstig uit het Duitse Eifelgebied, aangevoerd vanaf omstreeks 1100 via Utrecht en Deventer. Dit bouwmateriaal was duur, waardoor weinigen zich een dergelijk gebouw konden veroorloven. Na 1200 veranderde dat door de herintroductie van de baksteen, waarvoor het materiaal (klei) en de brandstof (turf) in deze streken rijkelijk voorhanden waren.

Borgen en states

Een aantal steenhuizen ontwikkelde zich in de late middeleeuwen of vroegmoderne tijd tot een borg, of – in Friesland – een state. De kern van de oorspronkelijke steenhuizen is in sommige borgen nog aanwezig, zoals bij de Fraeijlemaborg. In Groningen, Friesland en Oost-Friesland zijn op het platteland drie steenhuizen bewaard gebleven: in Oostfriesland te Bunderhee, in Friesland de Schierstins te Veenwouden en in Groningen – in het Westerkwartier – het ondergedeelte van een steenhuis te Niebert.

Een steenhuis was een –vrij eenvoudige – rechthoekige toren met afmetingen van gemiddeld een 8 bij 11 meter. Op de begane grond was een kelder met een gemetseld gewelf. Daarboven was de eerste verdieping. Deze was te bereiken via een losse, ophaalbare, ladder. In de late middeleeuwen had deze verdieping vaak een met ijzer beklede deur, bestand tegen brand, ingeval van belegering. Daarboven was nog een verdieping, die waarschijnlijk veelal diende als een veilige opslagplaats voor granen. In de verdiepingen ware smalle lichtspleten aangebracht.

Steenhuizen waren kostbaar, ook als ze in baksteen werden gebouwd. Ze werden gebouwd door leden van vooraanstaande families, de hoofdelingen, als een verdedigingswerk, maar golden later ook als statussymbool. Het steenhuis was oorspronkelijk niet bedoeld voor bewoning, maar een veilige vluchtplaats in een tijd dat er nog geen sterk centraal gezag was. Geschillen werden toen uitgevochten in vetes: ruzies tussen partijen met wraak en weerwraak en uiteindelijk een duidelijke overwinning of verzoening. Het waren vaak gewapende schermutselingen, waarbij de hoofdelingen konden beschikken over een legertje van boeren, deels te paard (ruters).

Poortgebouw

Bij latere stinzen, states en borgen stond vaak een poortgebouw. Zo is er nog een poortgebouw bewaard gebleven in het Friese Bears (bij Mantgum), bij Waaxens (bij Holwerd) en bij Epemastate te IJsbrechtum, bij Sneek. De poortgebouwen hadden vaak topgevels met vlieggaten en fungeerden zo als duiventil. Nu is er van Marum een 18e-eeuwse prent bekend met daarop de kerk van Marum afgebeeld met daarvoor een poortgebouw met dergelijke vlieggaten. De niet meer bestaande poort lijkt toegang te geven tot het kerkhof, maar lijkt gezien de vlieggaten voor duiven eerder de poort te zijn geweest die hoorde bij de boerderij die bij de stinswier lag.

<p>&lsquo;Marum in Vredewold 1672&rsquo;, gewassen pentekening door J. Stellingwerf, vervaardigd tussen 1724 en 1756. &ndash; Tekening: Collectie Groninger Archieven</p>

‘Marum in Vredewold 1672’, gewassen pentekening door J. Stellingwerf, vervaardigd tussen 1724 en 1756. – Tekening: Collectie Groninger Archieven

 

Bronnen:
Jan van Doesburg, Truus Veldhuis en Jos Stöver, ‘Het geheim van de bult bij Marum’, Stad & Lande XXI nr. 3 (sept. 2012) 3-9.
H. Feenstra en H.H. Oudman, Een vergeten plattelandselite. Eigenerfden in het Groninger Westerkwartier van de vijftiende tot de zeventiende eeuw (Leeuwarden 2004).