Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1945

'Domie' Ader wilde kamp Westerbork bevrijden

Bastiaan Jan Ader, door zijn vrouw liefkozend 'Domie' genoemd, ontpopt zich in Nieuw Beerta tot één van onze grootste verzetshelden. Hij redt zeker 300 joden uit de klauwen van de nazi's. Met een legertje van 200 verzetsmensen wil hij zelfs met een stoomtrein kamp Westerbork bevrijden. Ader was een spiritueel bevlogen mens.

De jonge Ader wil eigenlijk treinmachinist worden. Het spoor trekt als een magneet. Techniek interesseert hem bovenmatig. Een stoomloc besturen is zijn vurige wens. Maar opeens krijgt de jongeling een ingeving van hogerhand en gooit het roer om: predikant wordt zijn roeping. Bastiaan Jan Ader (1909) doorloopt het gymnasium en gaat theologie studeren. In 1935 trouwt hij met Johanna Appels uit Driebergen.

Pelgrimage

Ader houdt al vroeg van reizen. In zijn studententijd fietst hij een tijdlang zondagmorgen van Amsterdam naar Lochem om tijdens de kerkdienst op het orgel te spelen. Kort na zijn trouwen lonkt een nieuw avontuur. Hij verrast zijn vrouw met het plan om op de fiets naar Palestina te gaan. Als een soort pelgrimage. Hij vertrekt op 5 juni 1936 en reist via Duitsland, het Oostblok, Turkije, Syrië en Libanon naar het Heilige Land. Onderweg loopt hij tyfus op maar herstelt. Ternauwernood overleeft hij een valpartij. Via Caïro, Griekenland en Italië keert hij op 20 november met vrachtboot en trein terug. De tocht kost hem duizend gulden, maar hij verdient dat geld later terug met lezingen.

<p>Ader vertrekt in 1936 op de fiets naar Palestina. - Foto: Protestantse Gemeente te Reiderland</p>

Ader vertrekt in 1936 op de fiets naar Palestina. - Foto: Protestantse Gemeente te Reiderland

Nieuw Beerta

Twee jaar na die tocht strijkt hij als dominee neer in Nieuw Beerta. 'Van de stad naar het platteland, het is even wennen,' schrijft zijn vrouw later in haar roman Een Groninger pastorie in de storm. Hun eerste herfst vergeet het domineesechtpaar niet licht. Boerderijen omringen de pastorie. Tijdens de oogst draait de dorsmachine daar op volle toeren en zoeken muizen uit het stro een veilig heenkomen. Naar hun pastorie bijvoorbeeld. In huis wemelt het van die beestjes, zo merkt Johanna al rap. Als Domie op een zondagmorgen zijn toga uit de kast haalt hangen de rafels aan de fluwelen kraag en zijn overal muizengaatjes zichtbaar. Geen gezicht, oordeelt zijn vrouw en dus staat Domie die zondagmorgen in colbert op de preekstoel van Nieuw Beerta.

De kerkenraad kijkt verwonderd op en neemt daarna een driest besluit: in alle vertrekken van de pastorie plaatsen ouderlingen en diakenen muizenvallen en tot grote hilariteit van het dorp schrijft een dorpeling later nog een versje voor de dorpsrevue over Domies moezen.

Die moezen spelen in de oorlog nog een cruciale rol. Ader en zijn vrouw verlenen aan acht onderduikers, onder wie zes joden, onderdak. Als toevallig bezoek verdacht gekraak hoort in de pastorie is Domies verklaring: 'O, dat binn'n de moezen.'

Gearresteerd

Vol vuur en overgave stort Ader zich in het verzetswerk. Elke maandag fietst hij van huis om joden in het Westen te helpen aan een onderduikadres. Op één van zijn tochten wordt hij op 22 juni 1944 in Haarlem gearresteerd. Een politieman verraadt hem voor een pakje shag en de belofte op promotie.

'Westerbork kraken'

Ader belandt in de gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam en laat ondanks martelingen (onder andere een gebroken neusbeen) niets los. Hij verzwijgt zijn plan om een deportatietrein te kapen en kamp Westerbork te bevrijden. In een uit zijn cel gesmokkeld briefje naar zijn vrouw rept hij over 'Westerbork kraken,' zo schrijft zijn vrouw later in haar boek. Ader zal de deportatietrein zelf besturen en 200 verzetsmensen zullen Duitsers om zeep helpen. Enkelen dragen Duitse uniformen om geen argwaan te wekken. Ader wiens verzetsnaam 'Van Zaanen' is, heeft die op de kop getikt van een gedeserteerde Duitse officier. Zijn arrestatie voorkomt het bevrijdingsplan. Achteraf blijkt dat Ader hierover zelfs contact heeft gehad met de Britten. Die willen wel helpen, als Ader en zijn mannen de brug bij Ulsda laten springen om het spoorverkeer met Duitsland te stremmen.

Uit de briefjes naar huis blijkt dat hij trots is op zichzelf omdat hij niemand heeft verraden. Voor zijn beulen heeft hij enkel minachting; voor zijn medegevangenen is hij een troost. Aan zijn vrouw Johanna schrijft hij tedere brieven:

't Is niet om mij: 'k heb fel en taai gestreden,
Bij dag noch nacht begeerd naar rust;
'k Heb in het lijden der gedoemden meegeleden.
En vaar nu heen naar verre, lichte kust.

Maar 'k moet nog zoveel diepe dingen zeggen
Aan haar die altijd op mij wacht;
Ik moet een kindje in zijn bedje leggen
En kussen het een zacht goe-nacht!

Onverzettelijk

Op 20 november wordt hij uit zijn cel gehaald en in Veenendaal met nog vijf anderen gefusilleerd. Zijn zoontje Bastiaan Jan Ader, die later furore zal maken als kunstenaar, is dan tweeëneenhalf jaar oud. Zestien dagen voor zijn dood wordt zijn tweede zoon Erik geboren, maar dat bericht bereikt hem nimmer. Zijn vrouw Johanna ontvangt van Israël in 1967 de Yad Vashem onderscheiding voor haar verzetswerk dat van haar onverzettelijke man. Bastiaan Jan Ader wordt slechts 34 jaar, zijn vrouw 87.

Naast de preekstoel in de kerk van Nieuw Beerta hangt een forse gedenkplaat:

B. J. ADER Predikant dezer Gemeente
2 october 1938, 20 november 1944
Gedenkt Uw Voorgangers die het Woord Gods tot U gesproken hebben en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandel
Hebr 13:7.