Groninger Vrouwengalerij

Derkje Hazewinkel Suringa: een uitgesproken rechtsgeleerde

Het leven van Derkje Hazewinkel Suringa (1889-1970) is in grote mate getekend door beroemde historische ontwikkelingen en gebeurtenissen. Haar opa profiteerde van de ongekende sociale mobiliteit van de negentiende eeuw, ze ging failliet door de Russische Revolutie en werd ontslagen omdat ze in de moeilijkste periode opkwam voor de individuele rechten van haar Joodse collega’s.

Derkje Hazewinkel Suringa stond aan de wieg van het antifascistische comité van waakzaamheid en werd de eerste vrouwelijke hoogleraar en eerste vrouwelijke decaan aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam. Ook was zij een toegewijd pleitbezorgster voor de belangen van Duits-Joodse kinderen in de jaren 1930, bond zij de strijd aan met de doodstraf en schreef zij in 1953 een handboek over Nederlands strafrecht dat tot op de dag van vandaag wordt gezien als het standaardwerk bij uitstek.

Groningen

Derkje Suringa werd op 25 maart 1889 in Groningen als oudste kind geboren in een warm gezin. Haar achternaam stond door toedoen van haar in Groningen beroemde opa al bij haar geboorte synoniem voor eigenzinnige leergierigheid. Haar opa, Jan Suringa (1821-1902), heeft zich zijn leven lang ingezet voor het onderwijs in Groningen. Vanuit de typisch negentiende-eeuwse overtuiging dat geschiedenis wederkerig is focuste opa Jan op de moralistische lessen die uit de geschiedenis geleerd konden worden. In het verlengde daarvan was hij de initiatiefnemer van de viering van Bommen Berend op 28 augustus. In dat opzicht kreeg de jonge Derkje een bepaald rechtvaardigheidsgevoel vrijwel letterlijk met de paplepel ingegoten.

Nadat Suringa het gymnasium succesvol had doorlopen richtte zij zich, zoals dat van vrouwen werd verwacht, op het perfectioneren van huishoudelijke bekwaamheden. Ter verbreding van haar intellectuele interesse volgde zij in de avonduren lessen logica aan de universiteit, maar dat leidde in eerste instantie niet tot academische ambities. Ze trouwde op 21-jarige leeftijd met haar voormalige geschiedenisdocent Cornelis Hazewinkel, op dat moment leraar in Zwolle. Cornelis kreeg in 1912 een prestigieuze aanstelling als conrector op het Barlaeus Gymnasium in Amsterdam. Bijgevolg verhuisde het jonge gezin naar de hoofdstad. De levenswending die Hazewinkel-Suringa uiteindelijk beroemd zou maken deed zich daar in 1921 voor.

Studeren

Het besluit om te gaan studeren kwam tot stand naar aanleiding van een tweetal onvoorziene problemen in het leven van Hazewinkel-Suringa. Ten eerste kreeg haar echtgenoot hoe langer hoe meer last van een kwakkelende gezondheid zonder dat daarvoor een verklaring kon worden gevonden. Daarnaast ging het echtpaar als gevolg van de Russische Revolutie failliet. Het spaargeld hadden zij namelijk vrijwel volledig geïnvesteerd in de Russische spoorwegenmaatschappij die door de communisten zonder herstelbetalingen werd genationaliseerd. Ter verlichting van Cornelis’ rol als kostwinner en ter verbetering van de financiële situatie besloot Hazewinkel-Suringa op 32-jarige leeftijd rechten te gaan studeren. Dat bleek een goede beslissing, ze slaagde in 1922 cum laude voor haar kandidaatsexamen en in 1925 wederom cum laude voor haar doctoraal. Vervolgens promoveerde ze in 1931 cum laude, een jaar later werd ze benoemd tot hoogleraar strafrecht: daarmee was ze in Nederland de eerste vrouwelijke hoogleraar in de rechtswetenschappen. Hazewinkel-Suringa ging uitdagingen en fijngevoelige onderwerpen niet uit de weg en ze probeerde zich niet in de passen in het bestaande kader. In haar inaugurele rede in Amsterdam sprak ze zich uit tegen de vergeldingsleer in het strafrecht. Straffen moest volgens haar voornamelijk geënt zijn op bescherming van de rechtsorde en niet op het toegeven aan primitieve instincten.

Comité van Waakzaamheid

De jaren 1930-1945 kenmerkten zich voor Derkje Hazewinkel-Suringa door een zekere protestneiging. Zij was mede-oprichtster van het antifascistische Comité van Waakzaamheid en ze schreef brieven aan de minister van justitie waarin zij de opname van grote groepen Duits-Joodse kinderen bepleitte. In 1942 werden in Nederland alle Joodse hoogleraren ontslagen. Als reactie riep Hazewinkel-Suringa op tot een algemene sluiting van alle universiteiten. Het overgrote gedeelte van de academische wereld steunde haar niet in die opvatting, bijgevolg werd ze op staande voet ontslagen en zelfs uit de provincie Noord-Holland verbannen. De oorlog moest zij daarom uitzitten in verschillende onderkomens in Utrecht.

Na de oorlog

In 1946 sprak Hazewinkel-Suringa zich wederom uit tegen de doodstraf. Zij was van mening dat de Nederlandse Collaborateurs fatsoenlijk moesten worden behandeld en dat de rechtstaat in ere moest worden hersteld. Echter verkreeg zij ook op dit punt relatief weinig steun, in 1952 werd de doodstraf in Nederland voor het laatst voltrokken.

In 1953 vond Hazewinkel-Suringa de tijd en de rust om haar Magnus Opus getiteld Inleiding tot de studie van het Nederlands strafrecht te schrijven. Een standaardwerk dat weliswaar in geactualiseerde vorm nog steeds wordt gebruikt. In 1970 overleed Derkje Hazewinkel Suringa.  Naar aanleiding van een protest van studenten die zich stoorden aan de heimelijke rol van vrouwen, werd in 2018 een door Irma Braat geschilderd portret van Hazewinkel-Suringa toegevoegd aan de portrettengalerij van de faculteitskamer. Daarmee was ze wederom de eerste vrouw tussen de mannen.