Borgen: kastelen van het hoge noorden

1648-heden

De Weense gravin van Oldehove

Tijdens opgravingen in verband met de restauratie van de Liudgerkerk in Oldehove in 1970, kwamen twee boogvormige kelders met een estriken vloer aan het licht. De beide grafkelders behoorden bij de vroeger nabij Oldehove gelegen borgen Jensema en Fritema. Een ervan bleek een bijzondere inhoud te bevatten.

De Weense gravin van Oldehove

De gerestaureerde sarcofaag in de kerk van Oldehove. - Foto: Albert Buursma

Deze opmerkelijke vondst kent een voorgeschiedenis, want feitelijk ging het om een herontdekking. De plaatselijke schoolmeester, de oorspronkelijk uit het Duitse Wymeer – bij Bunde – afkomstige Jan Molanus Smith (ca. 1776-1865), beschreef deze al bijna anderhalve eeuw tevoren. In 1823 opende hij samen met burgemeester en grootgrondbezitter Nikel Hendriks Grommers (ca. 1773-1851) de kelder. Daarbij doemt een beeld op, waarbij zij samen met walmende kaarsen of flakkerende flambouwen afdaalden in de donkere kelder, waaruit een muffe lucht zal zijn opgestegen.

Zandstenen sarcofaag

In de kelder troffen de schoolmeester en de burgemeester onder meer stenen paaltjes aan, die ooit dienst hadden gedaan als steunen voor houten grafkisten, die inmiddels totaal waren vergaan. In de kelder stond een laag water. Daarin waren nog schedels en andere skeletresten herkenbaar. Het meest opvallende was echter een grote zandstenen sarcofaag. Van deze fraaie graftombe lagen de onderdelen van het deksel, bestaande uit twee dekplaten, een eind van elkaar. Het metalen beslag, dat ooit de beide delen bijeen had gehouden, was verdwenen. Die omstandigheden betekenden vermoedelijk dat er grafrovers bij waren geweest, die de tombe op zoek naar kostbaarheden hadden geopend…

Weense gravin

Wie was degene die in dit bijzondere grafmonument lag? Het was de ‘Weense gravin’ Margaretha Joanna van Cobenzl (1698-1730). Zij was een telg uit een oud, adellijk geslacht, dat oorspronkelijk stamde uit het Oostenrijkse Karinthië. Volgende vraag is, hoe een gravin in een grafkelder te Oldehove terechtkomt. Zij was gehuwd met Ludolf Luurt Ripperda (1707-1737). Zijn familie bezat de borg Jensema bij Oldehove. Maar hoe kwam een Groninger landjonker aan iemand van Oostenrijkse adel? De vader van Luurt was de roemruchte Johan Willem Ripperda (1687(?)-1737). Diens vader, Ludolf Luurt Ripperda van Winsum, had op zijn beurt de borg verworven via zijn huwelijk, in 1676, met Maria Isabella van Diest. Luurt juniors vader Johan Willem Ripperda was een avonturier met bravoure. Hij bracht het uiteindelijk tot eerste minister van Spanje een verkreeg een hertogstitel. Het daarbij behorende adelsdiploma is nu een van de topstukken in de Groninger Archieven. Het ligt voor de hand dat Luurt jr. de gravin via zijn vader zal hebben ontmoet. Voluit heette zij ‘Margaretha Joanna Francisca Catharina Josepha Antonia Eva van Cobentzel’. Bij haar huwelijk in 1727 was zij ‘weduwe von Blagay’: zij was eerder, op 18-jarige leeftijd, gehuwd met Weickard Leopold Graf Ursin von Blagay.

De bijzetting van Margaretha

Het echtpaar woonde afwisselend in Den Haag en Oldehove. Margaretha overleed in het kraambed in Den Haag op 24 mei 1730. Volgens overlevering was zij vanwege de heersende pokkenepidemie in het Westerkwartier en de Ommelanden naar Den Haag vertrokken. De ironie wilde – volgens het verhaal – dat zij juist daar aan de pokken stierf. Zij werd daarna per schip overgebracht naar Kampen, daar aan wal gezet en van daar naar Oldehove vervoerd. Daar werd ze bijgezet in de grafkelder in de kerk, die hoorde bij de borg Jensema. Oorspronkelijk was Margaretha gelegd in een loden kist, die was omhuld met hout. In de loop der tijd was de houten omhulling echter vergaan, zodat de sarcofaag alleen nog de loden kist bevatte.

<p>De sarcofaag van de Weense gravin zoals deze in 1970 werd aangetroffen. - Foto: Collectie RHC Groninger Archieven</p>

De sarcofaag van de Weense gravin zoals deze in 1970 werd aangetroffen. - Foto: Collectie RHC Groninger Archieven

Beschrijving door meester Smith

Meester Smith beschreef de vondst in 1823 als volgt: ‘De gravinne is in een kist, die van buiten gerekend, eerst zerk (= natuursteen, A.B.), dan hout en uiteindelijk lood is, in de grafkelder Fritema bijgezet.’ Smith zal waarschijnlijk Jensema hebben bedoeld. In de andere kelder, van de familie Fritema, troffen ze slechts een eenvoudige houten kist aan, later herkend als een houten reiskoffer. Een vijftal jaren na de vondst was de situatie in de kerk inmiddels dusdanig veranderd, dat de vloer meer dan een meter was opgehoogd. Daardoor waren de beide kelders verdwenen. Pas bij de werkzaamheden in 1970 zouden ze weer aan het licht komen.

Vergetelheid

Ludolf Luurt sr. verwierf in 1705 de Englumborg, eveneens gelegen bij Oldehove, die toen mogelijk belangrijker was, maar ieder geval in een betere staat moet hebben verkeerd. Overigens was hij toen behalve van Jensema en Englumborg ook heer van Koudekerke en Poelgeest. Onder hem moet ‘Jensema’, waarschijnlijk de voornaamste borg van Humsterland, van het ooit belangrijkste inheemse geslacht Jensema van Humsterland, in het eerste kwart van de 18de eeuw zijn gesloopt. Huis en grafkelder raakten in de vergetelheid, al herinnerde altijd nog een herenbank in de kerk van Oldehove aan de Ripperda’s.