1300-1648

De samenstelling van het stadsbestuur Groningen

De oudste regeling voor de samenstelling van het stadsbestuur van Groningen vinden we in het eerste boek van het Oldermansboek, dat mogelijk uit de eerste helft van de veertiende eeuw dateert. De raad bestond destijds uit vierentwintig leden, waarvan de helft jaarlijks aftrad. De continuïteit van het beleid was gewaarborgd doordat de helft van de raad in functie bleef bij de aanvang van het nieuwe bestuurlijke jaar, op de feestdag van Sint Petrus’ Stoel (22 februari). Er waren toen vier burgemeesters, die gedurende een cyclus van vier jaar afwisselend werden geleverd door de kluften of wijken waarin de stad was ingedeeld. In jaar 1 leverde de Akluft (het ‘Akerspel’) de burgemeesters, in jaar 2 deed dat de Assingekluft (later Boteringekluft genoemd), en in de jaren 3 en 4 leverden de Oosterkluft, Gelkingekluft en Gaddingekluft samen de burgemeesters.

De tweede regeling staat in de oudst bekende versie van het Groninger stadsrecht, die in de jaren 80 van de veertiende eeuw tot stand is gekomen. De daarin beschreven procedure wijst erop dat men destijds een einde heeft willen maken aan een ongewenste ontwikkeling die, als er niet was ingegrepen, erop zou zijn uitgelopen dat het bestuur van de stad Groningen geheel en al in handen zou zijn gekomen van een kleine, gesloten groep hoge heren. Bepaald werd dat de raad -toen bestaande uit twintig personen- jaarlijks in zijn geheel moest worden vernieuwd.

Burgemeesters en raad moesten elk jaar veertien dagen vóór Sint Petrus’ Stoel de gezworen meente bij zich laten komen. Deze koos vervolgens vier personen ‘over alle de stad’, dat wil zeggen: zonder acht te slaan op de kluft waar zij woonden. De vier gekozenen vormden samen met de vier afgaande burgemeesters het kiescollege, dat zestien nieuwe raadsheren moest kiezen. Deze zestien gekozenen vormden samen met de vier door de gezworen meente gekozen kiesmannen de nieuwe raad. De twintig nieuwe raadsheren moesten daarna op het raadhuis komen en uit hun midden vier burgemeesters kiezen. In deze regeling is van personele continuïteit geen sprake. De enige band tussen het oude en het nieuwe stadsbestuur wordt gevormd door de gezworen meente die vier kiesmannen kiest, en door de vier afgaande burgemeesters, die ook meedoen met de keuze van nieuwe raadsheren.

Een kleine halve eeuw later kwam het tot een nieuwe, meer gematigde opzet. Deze is, afgezien van een wijziging van het aantal raadsheren, gedurende lange tijd in gebruik gebleven. De procedure die in het ‘stadboek van 1425’ werd vastgelegd, herstelde de personele continuïteit door herinvoering van het principe dat jaarlijks de ene helft van de raad aftreedt en de andere blijft zitten.

'Keurbonen'

Op de keurdag -verkiezingsdag, 8 februari-kwam de gezworen meente op het raadhuis bijeen en wees door middel van loting uit haar midden vijf kiesmannen aan. Voor de loting maakte men gebruik van zogenaamde ‘keurbonen’ en een grote geborduurde hoed, die aan de binnenzijde dichtgesnoerd kon worden. Vijf van de keurbonen waren zwart, alle andere wit. Eén van de burgemeesters deed de vijf zwarte bonen in de hoed en voegde daaraan zoveel witte bonen toe, dat het totale aantal bonen gelijk was aan het aantal gezworenen dat aanwezig was. Elk lid van de gezworen meente moest vervolgens op de tast een boon trekken. De vijf heren die de zwarte bonen trokken, moesten zich meteen voor de vier burgemeesters opstellen en mochten met niemand spreken. De vijf keurheren kozen vervolgens tien (later acht) nieuwe raadsheren voor een zittingsperiode van twee jaar. De nieuwgekozenen moesten in de raad zitting nemen naast de tien (acht) raadsheren die bleven zitten. Anders dan in de vorige regeling mochten de vijf door het lot aangewezen kiesmannen zelf dat jaar geen raadsheer worden. De volgende dag moest de voltallige raad uit zijn midden vier burgemeesters kiezen.

Raadsheren werden dus voor een periode van twee jaar gekozen. De tien (acht) raadsheren die hun tweede zittingsjaar achter de rug hadden, werden de ‘oude raad’ genoemd. Ze maakten formeel geen deel uit van het stadsbestuur, maar werden in gewichtige gevallen wel bij de beraadslagingen betrokken. Wanneer de zittende raad (de eerstejaars- en tweedejaars-raadsheren) samen met de tien (acht) afgegane raadsheren optrad, werd, enigszins verwarrend, gesproken van ‘de raad, oud en nieuw’. Na een jaar geen lid te zijn geweest van de ‘zittende raad’, konden oud-raadsheren opnieuw voor een periode van twee jaar in de zittende raad worden gekozen. Ook van de gezworen meente werd jaarlijks de helft vervangen.