Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1945

'De meisjes gingen met de Canadezen mee'

Henk Engelsman werd in 1930 geboren in de Waterstraat in Delfzijl. In de oorlog kreeg hij de bijnaam 'Tommie', die gaandeweg zijn officiële voornaam verving. Zelfs zijn vrouw leerde hem kennen als Tom, alleen zijn moeder bleef altijd Henk zeggen. “De Engelsen werden in de oorlog Tommies genoemd. Als hun bommenwerpers overvlogen en het luchtalarm ging, riep iedereen: 'Daar komen de Tommies weer aan!' Vanwege mijn achternaam – Engelsman – zei een vriendje op een dag: 'Hé, jij bent ook een Tommie!'”

'De meisjes gingen met de Canadezen mee'
Vrijende stelletjes in de berm. - Foto: vervaardiger onbekend, 'Het aanzien van 40-45'

Tom Engelsman (of Henk) kan uitgebreid en met smaak vertellen over zijn belevenissen in de oorlog en rondom de bevrijding. In het verhalencafé dat op 25 april 2015 in Delfzijl werd gehouden, hoopte hij bekenden aan te treffen, maar helaas. Dat weerhoudt hem er echter niet van om een paar van zijn vele verhalen te delen.

In de kelder

“We hebben tien dagen in de kelder gezeten, tot de Canadezen er waren. We zaten gewoon in ons eigen huis. Mijn vader had de kelder versterkt met spoorbielzen. Het raampje van de kelder bevond zich onder het straatniveau en de stropakken stonden dus rondom de uitsparing in de stoep. We konden af en toe door het raampje naar buiten klimmen en over de stropakken heen kijken wat er aan de hand was.”  

Tom gaat naar buiten als het even stil is. “Als het even kon, ging ik naar buiten om mijn vrienden te zien. Het mocht niet van mijn ouders, maar ja: de deur stond open. Mijn eerste Canadees kwam ik tegen in de Wettersteinstraat, dichtbij de bunker. Hij had een dikke sigaar in zijn mond. Dat wilde ik ook, dus na de bevrijding heb ik me misselijk gerookt om net zo stoer te lijken.”

Ordonnans

Tom is vijftien en in de chaos na de bevrijding gaat hij voor de Binnenlandse Strijdkrachten aan het werk. “Ik werd ordonnans. Ik kreeg een armband en een nieuwe fiets en ik mocht boodschappen rondbrengen, ook aan de Canadezen. Wat ik allemaal gezien heb! Ik kreeg witbrood mee naar huis en gedroogde abrikozen. Ik wist niet eens wat dat waren.”

 Aan de Gracht was het barakkenkamp waar de NSB'ers andere 'foute' Nederlanders gevangen zaten. “Ernaast was de Canadese Militaire Politie gevestigd, in een villa.” Tom spreekt als ordonnans wel eens met Canadese MP's en ziet wat er gebeurt. “De vrouwen en de moffenmeisjes stonden daar te huilen. Ik vond het wel zielig. Soms moesten de vrouwen en meisjes uit dat kamp bij de Canadezen 'schoonmaken', zodat de villa netjes zou blijven. Maar als ik bij de MP binnen was om boodschappen te brengen, lagen die meisjes daar op matrassen in de kamers. Ze kregen chocolade en sigaretten. Ik snapte het toen niet. Nu wel.”

Tom heeft ook gezien hoe de Canadezen de bewakers van het vrouwenkamp pakjes sigaretten toegooiden. “Als de schildwachten niet keken, hielpen de Canadezen de meisjes door de prikkeldraadversperring heen. Ze gingen uit eigen beweging mee.” 

Raadselachtig

Een aantal van de meisjes waren bekenden van Tom. “Veel kennissen hadden in de oorlog vaste Duitse vriendjes. Ze gingen dan op zomerdagen langs de dijk van het Woldjerspoor in het gras liggen. Ik ging dan met wat vrienden kijken en een beetje pesten. Er was ook een heel nette man die daar in het gras lag. Helemaal alleen, keurig gekleed. Hij heeft daar verschillende zomers gelegen, maar ik heb hem nooit iets horen zeggen of zien doen. Ik weet niet wie het was of wat hij daar deed, maar ik zou dat heel graag te weten komen. Gek hè, hoe je meer dan zeventig jaar later nog steeds zo nieuwsgierig kunt zijn.”