Verhalen uit de regio

500-1300

De legende van het Riepster Licht

De achtste eeuw was een roerige tijd. Het Frankische rijk dijde uit, kleinere vorstendommen werden overwonnen en ingelijfd. Ook het grote Friese rijk Frisia, het kustgebied dat zich uitstrekte van zuid Nederland tot aan de Weser, moest eraan geloven. In 775 viel ook het Oostelijke deel van Frisia, destijds onder heerschappij van koning Radboud II, in handen van Karel de Grote. Dat is de periode waarin de legende van het Riepster Licht zich afgespeeld moet hebben.

Er zijn verschillende versies van het verhaal in omloop, zoals zoveel gebeurt met verhalen die eeuwenlang mondeling overgeleverd worden. Waarschijnlijk is het voor het eerst opschrift gesteld door de laatste pastoor van Zeerijp, die na de reformatie tevens als eerste dominee dienst deed. Hij stond van 1555 tot 1600 op de kansel, waarvan de laatste vijf jaren als dominee. Zijn manuscript is jammer genoeg verloren gegaan, de eerste bewaard gebleven tekst staat in het Aardrijkskundig Woordenboek uit 1841 van A.J. van der Aa. Hij beschrijft de legende (enigszins aangepast) als volgt:

“Keizer Karel de Grote beval na zijn overwinning op de Friese koning Radboud II dat overal de wetten in schrift zouden worden gesteld. De Friezen benoemden daartoe twaalf deskundige personen, wetgeleerden, door hen Wimoedes en door de Noormannen Azen genaamd.

Deze moesten als ingewijden de heilige godentaal, die merendeels uit rijmen en spreuken bestond, uit het Oudfries in het Latijn overzetten, en die vertaling zou hen vervolgens tot richtsnoer strekken. De Wimoedes weigerden: het was huns inziens niet geoorloofd het door hun voorouders in orakeltaal uitgesprokene op schrift te stellen; ook wilden ze zich niet aan de nieuw ingevoerde keizerlijke wetten onderwerpen, zij weken te zeer af van hun aloude zeden en gewoonten, waaraan zij bijzonder gehecht waren.

De keizer stelt hen nu voor een keus, binnen zeven dagen te doen: onthoofd, levend begraven of in een stuurloos schip uitgezet worden. Ze kiezen voor het laatste. Voor Gods weer en wind drijvend, vertelt een van de Wimoedes, met name Azing of Asega, dat hij eens in een leerrede van Willebrord gehoord had dat Jezus Christus na zijn opstanding, op het bidden van zijn in angst verkerende vrienden onder hen verschenen was, hoewel de deuren van de zaal waarin zij zich bevonden gesloten waren. Hij stelt voor dat ook zij tot Jezus bidden.

En ziet: terwijl zij nog baden, vertoonde zich achter in het schip een man, rustende met zijn hand op het kromhout waarmee hij het schip bestuurde en hen alzo weer in de haven vanwaar zij uitgevaren waren terugbracht. Als nu de dertiende, met de twaalf Wimoedes, aan welke hij in uiterlijk voorkomen geheel gelijk was, aan land kwam, wierp hij het kromhout op de grond, alwaar het terstond brandde en vervolgens tot een lichtende baak voor de zeelieden werd, totdat ’t Zandt [de haven van Zeerijp] verstopte, waarop het brandende hout verdween en door eene rijke bron van heerlijk vers water vervangen werd. Doch van toen af brandde de duivel hier aan de dijk een vuur als een valse lantaarn, een groot licht, om de zeelieden te misleiden, daar dit licht bij nadering verdween.

De dertiende onderwees de Wimoedes verder. Als zij nu wel onderricht waren, zagen ze de dertiende niet langer. Zij kozen het landrecht dat hun door Maria’s zoon geleerd was en deze verzameling van wetten verwierf de goedkeuring van de keizer en de paus beide, en door deze ingeving van Jezus Christus kregen de anders stijfhoofdige Friezen hun wetten overeenkomstig des keizers verlangen. Het zo gevreesde Rijpster licht is dus niet anders dan het vuur van de Boze.”

Verklaring

Eigenlijk hoort deze legende niet specifiek bij Zeerijp, maar verklaart het oorspronkelijk dertiende eeuwse verhaal de herkomst van de Friese wetgeving. Asega is daarin niet de naam van een persoon maar iemand die kennis heeft van de oude (heidense en altijd mondeling overgeleverde) wetgeving. Wimoedes waren de Friezen die afstamden van een prins uit India die Friesland gesticht zou hebben. Hij zou de stamvader zijn van allen die tussen de Lauwers en de Weser woonden.

Maar hoe het ook zij, het is het Riepster verhaal dat tot op heden wordt doorverteld en in de loop der eeuwen is het Riepster Licht nog menigmaal gezien en beschreven.


Bron: Kooi, J van der, 2010 Verhalen van Stad en streek, sagen en legenden van Nederland