Borgen: kastelen van het hoge noorden

1648-1815

De bijbel en het kookboek - verhalen uit de Menkemaborg

Wie meer wil weten over de bewoners van de Menkemaborg denkt misschien in eerste instantie aan portretten en vervolgens aan documenten, brieven en reisverslagen. Maar in het uitgebreide familiearchief van de familie Alberda vertellen twee bijzondere boeken hun eigen verhaal; de familiebijbel en het kookboek.

De bijbel en het kookboek - verhalen uit de Menkemaborg

Detail uit het register van de familiebijbel van de familie Alberda van de Menkemaborg

De familiebijbel is zo bijzonder omdat voor- en achterin de familiebijbel een geschreven overzicht te vinden is van huwelijken, geboorten en overlijden van de familie vanaf 1664.

Het overzicht laat zien dat de kindersterfte vroeger zeer groot was, evenals het aantal vrouwen dat in het kraambed overleed.

De familiebijbel dateert uit 1657 en is aangeschaft door Mello Alberda (1642 – 1699). De bijbel heeft twee zilveren sloten met de gravering ‘Mello Alberda’. Het is Mello Alberda die in 1682 de Menkemaborg en omliggende landerijen van Johan Clant van Breede koopt. Hij is daarmee de eerste van een lange rij telgen Alberda die de Menkemaborg hebben bewoond.

Mello Alberda trouwt op 30 maart 1664 met Susanna Tamminga van Ludema in de kerk te Usquert en dit feit wordt als eerste vermeld in het overzicht in de bijbel. In 1665 wordt hun eerste en enige dochter geboren; Elisabeth, maar zij overlijdt al na vier maanden.

Mello Alberda schrijft het zo op:

"In ’t jaar onzes heren 1665 den 4 January is onze dochter Elisabeth geboren sijnde woensdags morgen om zeven uren op huis Ludema’. En is de derden mei 1665 daaraan volgende in god ontslapen verwachtende met ons al te samen een zalige en vrolijke opstandinge."

Daarna worden er bijna elk jaar zonen geboren, in totaal tien, maar slechts drie zonen blijven in leven. Een dag na de geboorte van de laatste zoon - Mello – op 24 april 1680, overlijdt Susanna, ze is dan 34 jaar…
Als Mello in 1682 de Menkemaborg koopt is hij dus reeds weduwnaar - een man van veertig jaar met drie jonge zoons; Onno Tamminga (1669 – 1743) – hij krijgt de achternaam van zijn moeder al bij zijn geboorte -  Willem (1674 – 1721)en Unico Allard (1676-1714).

Het is Unico Allard die in 1699 de Menkemaborg erft – evenals het huis Ringeweer te Uithuizen. Unico Allard trouwt in 1701 met Everdina Cornera van Berum. Ook hij noteert de geboorten van hun kinderen in het overzicht. In 1704 wordt hun eerste kind geboren, een zoon Mello, maar deze overlijdt al na 5 dagen. Ook een tweede Mello, geboren in 1706, overlijdt kort na de geboorte. Vervolgens worden er nog 5 dochters geboren, waarvan alleen Susanna Elisabeth (1707-1744) en Wendelina Cornera 1713-1746) opgroeien tot volwassen vrouwen. Alle kinderen worden geboren ‘op Menkema’, zoals het overzicht vermeldt. Wendelina Cornera zal later in het kraambed overlijden, zij is dan 33 jaar oud.

Susanna Elisabeth trouwt in 1725 met Gerhard Alberda van Dijksterhuis en erft na de dood van Unico Allard in 1714 de Menkemaborg. Haar moeder Everdina Cornera behoudt het vruchtgebruik van de borg, Gerhard Alberda voert het beheer. De geboorten van hun kinderen – een zoon en vier dochters – staan niet vermeld in het overzicht, mogelijk heeft Gerhard Alberda op Dijksterhuis een eigen bijbel.

Unico Allard II(1726-1790) – zoon van Susanna Elisabeth Alberda en Gerhard Alberda – trouwt in 1762 met Christina Bentinck van den Brieller (1736-1815). Ook zij noteren weer lief en leed in het overzicht van de familiebijbel. Ze krijgen twee zoons en vier dochters, alle kinderen worden geboren ‘op den huize Menkema’- ook in december! Hun oudste dochter Susanna Elisabeth overlijdt al op twintigjarige leeftijd.

Hun zoon Gerhard II (1764 – 1828) zal later beide borgen erven en trouwt in 1789 met Elisabeth Anna de Hertoghe van Feringa. Zij krijgen zes dochters, waarvan de één na oudste overlijdt wanneer ze twee jaar oud is. De eerste zoon overlijdt na acht maanden. Alle kinderen worden in Groningen geboren, waar de familie eveneens een huis in bezit heeft (een pand aan de Grote Markt).

Unico Allard III (1803 – 1859) trouwt in 1828 met Josina Petronella Polman Gruijs. Dit echtpaar krijgt eerst twee zoons en daarna een tweeling – een jongen en een meisje. Zij worden allen geboren op Menkema. Hun oudste zoon Gerhard zal de laatste bewoner zijn van de borg, hij is ongehuwd en overlijdt in 1902. De kinderen van zijn zus Elisabeth Anna Alberda zijn de erfgenamen en schenken in 1921 de borg aan de voorloper van het Groninger Museum.

Een registerpagina uit het kookboek van de Menkemaborg
Een registerpagina uit het kookboek van de Menkemaborg

Het kookboek

Het andere belangrijke boek uit de familie – het kookboek – vertelt eveneens verhalen over het wel en wee van de familie.

Aan de hand van de ongeveer honderd geneeskrachtige recepten, opgenomen in het kookboek en op losse velletjes in het archief van de familie Alberda van Menkema en Dijksterhuis, kan aardig worden afgeleid welke kwalen veel voorkwamen. Recepten voor maagklachten, nier- en galstenen, hoest of verkoudheid en jicht komen meerdere keren voor. Maar ook recepten om tanden of ogen te genezen zijn opgetekend. Daarnaast recepten voor gezwellen, puisten, hartkloppingen, wormen, rugpijn, aambeien, brandzalf en zalf voor winterhanden en –voeten.

Bij een aantal recepten staat een naam vermeld van wie het recept afkomstig is. Meestal van familie, vrienden of bekenden – maar een heel enkel recept is afkomstig van een ‘Med. Doctor’. Iedereen had eigen middeltjes tegen kwalen en ziekten met de hoop, dat ze er beter van werden.

In de recepten worden allerlei kruiden gebruikt, die nu nog terug te vinden zijn in de tuin, zoals wijnruit, hyssop en salie. Ook exotische kruiden en specerijen als nootmuskaat, foelie, saffraan en kruidnagelen worden verwerkt. Gewassen, gesneden en gewreven in een kom, gekookt in schoon water en vermengd met rozenwater, wijn, olie, citroensap, soms door een dunne doek gewreven. Vaak moest het geheel een tijdje trekken. 
Vloeibare middeltjes werden gedronken, een druppel of lepel vol per dag of meerdere keren per dag. Andere middeltjes werden een soort papje of pasta, dat op bijvoorbeeld een wond gelegd werd.

Een bijzonder recept beschrijft het maken van een ‘mirakel plaester’ voor allerlei wonden. 
En wat te denken van een recept tegen de ‘dulligheit’ of ‘dummigheit’, zowel voor mensen als dieren?

In het kookboek staan niet alleen recepten vermeld voor gerechten en medicijn, maar ook praktische huismiddeltjes om bijvoorbeeld ‘zilver te schuren’ of ‘Chitsen te wassen’ (kleurige katoenen stoffen uit India). 
De bewoners van de borg konden zich mooi maken met een ‘roode pomaede voor de lippen’ en een recept om het ‘hayr zwart te maken en het vel wit’. Voor de haren waren er diverse recepten om te laten groeien, wat niet verwonderlijk is want in die tijd werden er nog pruiken gedragen. Vinden we vandaag de dag een gebruinde huid mooi, in de 18de eeuw was dat een teken van armoede. Dames hadden een witte huid, want zij hoefden niet op het land te werken. ‘Tant poeder’ en een middel om de ‘tanden wit te maken’ waren vast niet overbodig, evenals het maken van zeep of ‘poeder om de handen te wasschen’ en ‘het maecken van een goede parfum’. Dat laatste was niet overbodig, want in de 18de eeuw werd het ongezond gevonden om jezelf (te vaak) te wassen. Ook kleding werd niet vaak gewassen en alleen onderkleding van linnen was eenvoudig te wassen. Bovenkleding van wol of zijde was lastig om schoon te maken. De gekleurde katoenen stoffen, die de VOC meenam uit India konden daarentegen wel gewassen worden en het is ook bijzonder, dat er in het kookboek staat beschreven hoe dat gedaan moest worden.

In de Menkemaborg is de dikke familiebijbel in 2014 te vinden in de slaapkamer met het staatsieledikant – de kamer is ingericht als kraamkamer, klaar voor het ontvangen van het kraambezoek. In de keuken zijn fragmenten uit het kookboek te lezen, zoals het recept voor ‘karbonade van runtvlees’, ‘vis met espierges’, ‘kerveltaart’, ‘orangetaart’, ‘citroenvlaij’, ‘bolle buikjes’ en een recept tegen een ‘kwade hoest’.