1945-heden

Daan Huizinga, ruim 50 jaar hovenier in de Hortus Haren

“Toen ik begon aan de Tuinbouwschool in Eelde in 1953, was er nog geen opleiding tot hovenier. Ik volgde een vierjarige opleiding tot kweker en daarna nog twee jaar de Tuinbouwvakschool. Toen ik mijn diploma had gehaald, werkte ik eerst een tijdje bij een bloemist, een kweker en ik had een paar klusjes gedaan voor een hovenier. Dat laatste vond ik niet bijzonder leuk; het was altijd hetzelfde werk, alleen op verschillende plaatsen. Je zette de planten in de grond of deed het vuile werk en daarna ging je weer verder. Als kweker mag je de planten grootbrengen, dat vond ik veel mooier.”

Daan Huizinga, ruim 50 jaar hovenier in de Hortus Haren
De Laarmantuin van de Hortus Haren, ca. 1980, met van links naar rechts Mans Lok, een onbekende studente, Daan Huizinga en Jan Pomper. - Foto: archief Hortus Haren

Huizinga reageerde in 1963 op een advertentie waarin een hovenier werd gevraagd voor de Hortus aan de Grote Rozenstraat in Groningen. “Het was geen grote tuin, ongeveer een hectare, en hij lag tussen de huizen in, vlakbij het Noorderplantsoen. Ik mocht daar graag zijn. Er kwamen niet zo veel studenten, maar elke donderdagmiddag werd de tuin opengesteld voor het publiek. Dan kwamen de huisvrouwen uit de buurt wandelen in de Hortus.” De Hortus is in die tijd een echt wetenschappelijke tuin. “Veel planten waren op een specifieke manier gegroepeerd. Het was echt een studietuin. We moesten er ook materiaal halen voor practica van de studenten. Toch vond ik het leuk dat de gewone man er ook rondliep: daar werk je voor.”

“Nadat ik een paar weken in de Oude Hortus had gewerkt, werd me gevraagd of ik in Haren kon beginnen: daar was personeel nodig. Ik wilde het wel proberen, maar toen ik die tuin zag, dacht ik: 'hier zit ik niet lang.' De tuin zei me niks en ik vond het er saai uitzien. Maar toen men me een half jaar later vroeg of ik weer terug wilde naar de Stad, moest ik bekennen dat ik liever in Haren bleef werken. Ik had de planten en de tuin leren kennen en wilde niet meer weg.”

De directie heeft Huizinga dan wel gevraagd of hij terugkomt naar de Grote Rozenstraat, maar zijn collega's daar zijn opgelucht dat hij in Haren blijft. “Ik deed mijn best niet, hadden ze tegen de leidinggevenden gezegd. Daar was niets van waar, integendeel. Een paar van de collega's had geen diploma, en ik wel. Ze waren bang dat ik hun banen zou inpikken. Zo ging dat toen.”

Laarman

Huizinga leerde in Haren de Laarmantuin kennen, de naam voor het oudste gedeelte van de huidige Hortus. Etsko Laarman was van 1921 tot 1963 hortulanus, technisch beheerder van de tuin, en onder zijn leiding werd begonnen met het inrichten van 12,5 hectare in Haren. “Hij had daar verschillende terreinen gecreëerd – heide, weide, loofbos, coniferenbos – en daarin groeiden veel zeldzame planten, zoals bijvoorbeeld orchideeën.” Laarman was ervan overtuigd dat, wanneer de omstandigheden gunstig waren, de geëigende planten zich daar ook spontaan zouden vestigen. “Maar daarna moest je indringers wel wieden en uittrekken.”

“Jonge boompjes die ik heb gepoot, zijn nu exemplaren van vijftien meter hoog."

“De Laarmantuin was een vak apart. Op sommige plaatsen moesten we rigoureus ingrijpen om de leefgemeenschap te behouden, maar op andere plaatsen mochten we de natuur haar gang laten gaan.” Wie vijftig jaar lang in dezelfde tuin rondloopt, ziet de flora hetzelfde blijven, maar toch veranderen. “Jonge boompjes die ik heb gepoot, zijn nu exemplaren van vijftien meter hoog. Laarman bleef ook na zijn pensioen de Hortus bezoeken en zei aan het einde van elk bezoek steevast: “Denk je om de orchideeën?”

Winterwerk

Huizinga was jaarrond bezig met de tuin. “Vanaf de vroege lente tot de late herfst ben je buiten, bezig om alles in goede banen te leiden. In de winter lag het buitenwerk goeddeels stil, maar werkten we aan de zaadlijsten.” De zaadlijsten zijn inventarisaties van de soorten, die botanische tuinen over de hele wereld rondsturen. “Met die zaadlijsten in de hand deden we aan uitwisseling van soorten. Uit onze eigen tuin oogstten en droogden we de zaden. Die gingen vervolgens naar andere universiteiten en tuinen en wij kregen op onze beurt zakjes met zaad, dat wij weer konden opkweken.”

Wie zo lang met planten werkt, ontwikkelt een oog voor detail. Huizinga: “Het is wel eens gebeurd dat we een zakje kregen waar gentiaan in zou moeten zitten. Ik zag al meteen dat het heel ander zaad was. We hebben het wel gezaaid om te kijken wat er opkwam, maar de plant kwam niet in de collectie. Het was toch wetenschap wat je aan het doen was en dan moest je zorgvuldig zijn. Tegenwoordig zijn we niet meer zo streng. Bovendien is er nu niet zo veel uitwisseling meer, nu we niet meer aan de universiteit verbonden zijn.”

Huizinga mag dan een groot plantenliefhebber zijn, thuis in de Groningse wijk Helpman heeft hij geen tuin. “Mijn vrouw mist een tuin soms wel, maar ik vind het geen probleem. Vroeger bracht ik wel eens wat mee van de Hortus om binnen te zetten. Met toestemming, ja!”

Studenten

Toen de Hortus nog onderdeel was van de RUG, kwamen er regelmatig studenten naar de tuin om onderzoek of veldstudie te doen. “Ik heb veel geleerd van de studenten zoölogie (dierkunde), vooral over vogels. Waar wij als hoveniers al snel mopperden over schade, lieten zij zien dat je dat ook anders kon interpreteren. Je leert met andere ogen kijken. Dingen als mossen, korstmossen en paddenstoelen zagen wij ook niet zo snel staan. Ik heb wel eens met een student gesproken die zestig soorten mos zag op één vierkante meter!”

“De studenten spraken ons zelden aan en stelden ons al helemaal geen vragen. En dat terwijl het met hun plantenkennis soms beroerd gesteld was. Maar ze schaamden zich. Toch vind ik het jammer dat ze nu weg zijn. Maar ja, waarom zou je naar Haren komen als je ook naar een exotisch buitenland kunt gaan voor onderzoek?”

Zwaar weer

In 1986 kreeg de Hortus Haren een zware slag te verwerken. De universiteit schrapte de opleiding botanie, waardoor de Hortus overbodig werd. De botanische tuin moest verzelfstandigen en de leiding moest commercieel gaan denken. “We hebben verschillende directeuren gehad in die tijd, sommige met weinig verstand van zaken. Het personeel kreeg de verantwoordelijkheid, maar de directeuren wisten niet goed waar ze mee bezig waren. Ik was vaak behoorlijk gefrustreerd. Veel mensen zijn toen met vervroegd pensioen gegaan of gestuurd, omdat er geen geld meer was. Ik en een collega bleven wel, maar het was een zware tijd. Een van de directeuren kwam op een dag bij ons en zei: 'Ik heb goed nieuws voor jullie, ik ben geen hortulanus meer.' Dat was maar goed ook, want anders had ik me ziek gemeld.”

Daan Huizinga (midden) met zijn collega's bij het uitladen van zakkenvol tulpenbollen die de grond in moesten voor de Tulpenhof, najaar 1991. - Foto: archief Hortus Haren.
Daan Huizinga (midden) met zijn collega's bij het uitladen van zakkenvol tulpenbollen die de grond in moesten voor de Tulpenhof, najaar 1991. - Foto: archief Hortus Haren.

Alles voor het publiek

De koers van de Hortus bleef, ondanks steun van de universiteit, nog lange tijd onzeker. “We probeerden om meer publiek te trekken door het inrichten van thematuinen. In 1991 hebben we bijvoorbeeld een Tulpenhof aangelegd. Miljoenen bollen hebben we gepoot!” De ijsbeeldententoonstelling van 1997 was ook een groot succes. “Omdat het een strenge winter was, konden we de ijsblokken hier in Haren uit natuurijs zagen. We hebben ook ijs uit de haven van Lauwersoog gehaald. De havenmeester was maar wat blij, want zo voorkwam hij schade aan de schepen door kruiend ijs.”

“Tijdens de tentoonstelling had ik als taak om het aantal mensen te tellen dat binnen was, omdat er op last van de brandweer niet meer dan 200 bezoekers tegelijk in de ijshal mochten zijn. Er stond een heel lange rij en het regende, maar dat deerde de mensen niet. Op een gegeven moment begonnen ze zelfs te zingen! Ook was er een vrouw die twee uur in de rij stond en toen weer terug moest, om haar trein te halen. We hebben haar een vrijkaartje gegeven, zodat ze later terug kon komen.”

“Die kas een uur verwarmen kostte net zo veel als een Gronings huisgezin in een jaar aan gas verbruikte.”

Het geld was op

Ondanks succesvolle tentoonstellingen en de aanleg van tuinen die voor bezoekers interessant waren, bleven de financiële problemen bestaan. Dat lag ook aan de enorm hoge stookkosten van de tropische kas. “Die kas een uur verwarmen kostte net zo veel als een Gronings huisgezin in een jaar aan gas verbruikte.” In 2005 werd de verwarming van de kas uitgedraaid. 

In 2001 moest de Hortus faillissement aanvragen. De burgemeester van Haren sprak de universiteit nogmaals aan op haar verantwoordelijkheden en deze gaf de gelegenheid om nog tot 2012 door te gaan met de exploitatie; daarna moest de Hortus definitief op eigen benen kunnen staan. Al het beschikbare geld werd gebruikt, ook Huizinga's pensioen. Toen hij met de VUT wilde gaan, bleek het geld van de RUG dat daarvoor apart was gezet, verdwenen. Gebruikt in de exploitatie door de toenmalige directeur Reinhard. “Dus ik heb maar doorgewerkt tot aan mijn pensioen, in 2005.” Maar ook daarna was Huizinga niet uit de Hortus weg te slaan. Nog altijd werkt hij twee dagen per week in 'zijn' tuin, samen met andere vrijwilligers. 

In de geest van Laarman

Meer dan vijftig jaar inmiddels werkt Huizinga in de Laarmantuin. “Er is in al die jaren natuurlijk heel veel veranderd, maar tegelijk hebben we ook geprobeerd om veel hetzelfde te houden. Als Laarman er nu zou rondlopen? Ik weet het niet, maar de geest en de gedachte van de Laarmantuin is nog altijd dezelfde.”