1815-1945

Boeskoolkwekerij Everhardus van der Molen in Zuidwolde

Het dorp Zuidwolde staat bekend als “Boeskooldorp”. Boeskool is de plaatselijke naam voor de koolsoorten die vooral begin vorige eeuw rond Zuidwolde veel werden geteeld. De naam is een verbastering van “Kombuiskool”. De vitaminerijke kool was namelijk een probaat middel tegen scheurbuik op lange scheepsreizen. Omdat de grondsoort (zware klei) rond Zuidwolde uitermate geschikt is voor de teelt van kool, waren er destijds veel boerenbedrijven die zich hierin hadden gespecialiseerd. Feitelijk draaide de gehele economie van dit dorp op kool en op de groenteteelt in het algemeen. De groente werd destijds niet alleen door de telers zelf op de markten in het nabij gelegen Groningen verkocht, maar er werd ook veel naar Duitsland geëxporteerd als grondstof voor Sauerkraut.

Boeskoolkwekerij Everhardus van der Molen in Zuidwolde
Een veld 'boeskool'. - Foto: Historische Vereniging gemeente Bedum (150057)

Eén van de groentebedrijven was het bedrijf van Everhardus van der Molen aan het eind van de Oosterseweg. Dit bedrijf werd in 1876 opgericht. De woning met aangebouwde koolschuur staat er nog, Oosterseweg nr 4. Ook oom Albert van der Molen had een kwekerij, aan de overzijde van de weg. Everhardus van der Molen verbouwde witte, rode, savooiekool, en bloemkool. Maar ook prei, spruiten, wortels, andijvie, boontjes en snijbonen. Ook had hij diverse soorten bessen , appels en (stoof-)peren. Verder nog augurken, zilveruitjes, rabarber en ’s zomers zelfs bloemen. Er was ook een gedeelte platglas. De kleine groenteplantjes werden daarin opgekweekt en sla, spinazie en aardbeien werden ook onder glas verbouwd.

Fam. Everhardus van der Molen in 1933. - Foto: Historische Vereniging gemeente Bedum (080074)
Fam. Everhardus van der Molen in 1933. - Foto: Historische Vereniging gemeente Bedum (080074)

Wecken

’s Ochtends werden de producten van het land gehaald en Everhardus verkocht ze vervolgens zelf vanaf de boerenwagen op het Zuiderdiep in de stad Groningen. Daarnaast bezorgde hij bij een aantal van de vele hofjes die de stad rijk was. Door de vele producten was het mogelijk wisselteelt toe te passen. Kool kan namelijk niet steeds op hetzelfde land worden verbouwd in verband met aaltjes die het gewas aantasten. Destijds waren er nog niet zo veel gewasbestrijdingsmiddelen. In huize Van der Molen was het altijd weer een verrassing of Everhardus er in slagen zou alle groente in Groningen te verkopen. Alles wat overbleef moest namelijk thuis nog worden gekookt en in weckpotten worden gedaan. Daar kon het gezin en de knechten dan in de winterperiode van eten.

Handwerk

Het bedrijf had gewoonlijk twee arbeiders in dienst. Dit waren zogenaamde ”inwonende knechten”. In die tijd was het heel gewoon dat de arbeiders bij de baas in huis gingen wonen en in het gezin werden opgenomen. De hulp van knechten was onontbeerlijk. Alles moest namelijk nog met de hand. Weliswaar was er een paard die gebruikt kon worden bij bijvoorbeeld het ploegen, maar overdag was Van der Molen veelal met paard en wagen naar de stad. Trekkers, oogstmachines en beregeningsinstallaties waren er nog niet. In de herfst, als de kool van het land moest, kon ook de wagen vanwege de drassige klei niet op het land komen. Paard en wagen bleven dan op de weg staan en meerdere mensen moesten de kolen vanaf het land naar elkaar toe gooien. Daarvoor werden extra arbeiders ingehuurd.

Dat was zwaar werk, want het waren erg grote en zware kolen, zogenaamde ”bewaarkool”. Deze koolsoort met een stevige structuur was geschikt om de gehele winter te worden bewaard. Het ging om grote aantallen. Behalve de koolschuur op het eigen erf werden er ’s winters ook nog half ondergrondse opslagruimten gemaakt om de kolen in op te slaan. En even buiten het dorp aan de Oosterseweg had oom Albert van der Molen eveneens een koolschuur waarin kool werd opgeslagen (ook deze koolschuur staat er nog steeds). Het kon ook gebeuren dat er een wagonlading vol kool moest worden geleverd voor export naar Duitsland.

Later kwamen er ook in de omgeving (Bedum) zuurkoolfabrieken. Dit betekende dat er ’s winters nog volop werk was voor de knechten. De opgeslagen kolen moesten geregeld worden nagekeken op rot. Ook prei, spruiten en wortels werden juist ’s winters aangeboden. Grote (“Godin”-) kachels moesten de producten ’s winters in de schuur vorstvrij houden. Deze moesten soms ook ’s nachts worden bijgevuld.

Het bedrijf is later overgenomen door één van de inwonende knechten, Louwe Roeters. Zijn vrouw was lange tijd dienstmeid geweest in huize Van der Molen en ze waren dus met het bedrijf vergroeid. De andere inwonende knecht, Ebel Fokkens, heeft veel van zijn belevenissen later op papier gezet in de vorm van brieven aan Kornelia (Kea) van der Molen, de dochter van Everhardus van der Molen en zijn vrouw Remke van Loenen.