1945-heden

Tiemen Helperi Kimm, eigenzinnig erfgoedbewaker

In de tweede helft van de vorige eeuw heeft de geboortige Fries Tiemen Helperi Kimm (1930-2017) bijdragen geleverd aan behoud van cultuurgoed in de provincie Groningen en enkele museale collecties de plaats gegeven, die zij verdienen. Dat kwam deels op Kimms initiatief tot stand, deels ook in samenspraak met gemeentelijke overheden en de provincie Groningen, alsook met de toenmalige Rijksdienst voor Monumentenzorg.

Dit verhaal gaat over het behoud van Gronings cultuurgoed in klein bestek, waarvoor de veelzijdige en bovenal gedreven Kimm zich niet alleen tijdens zijn carrière in het bedrijfsleven, maar ook als privépersoon vanuit een gevoelde noodzaak en met hart en ziel heeft ingezet. Dat deed hij voortvarend, vaak op een eigenzinnige manier, wat soms leidde tot onderlinge wrijvingen.

Loopbaan

Tiemen Helperi Kimm werd geboren op 29 september 1930 in Augustinusga (gemeente Achtkarspelen) als zoon van hoofdonderwijzer Hindrik Helperi Kimm (1896-1971) en onderwijzeres Sietske Jager (1896-1991), en overleed op 16 januari 2017 in Dalfsen, waar hij ook is begraven. Hoewel de officiële achternaam Kimm is, trok Kimm zijn tweede voornaam bij zijn achternaam en wordt in publicaties ook zo aangeduid. Na het Gymnasium bèta studeerde hij enige jaren Nederlands recht in Groningen en volgde daar ook colleges Kunstgeschiedenis.

In 1955 trad Kimm in dienst van het toenmalige familiebedrijf Theodorus Niemeyer N.V. en vervulde daar tot 1981 achtereenvolgens de functies van secretaris van de directie en secretaris van de raad van bestuur en van de raad van commissarissen en aandeelhouders.

Begin jaren zeventig van de vorige eeuw speelde Niemeyer een bijzondere rol in de roken- en gezondheidsproblematiek in Nederland. Het ‘stippenetiket’ werd op initiatief van Kimm geïntroduceerd: een vorm van informatieve etikettering, goedgekeurd door de Consumentenbond, ter aanduiding van de teer- en nicotinegehaltes in sigaretten, en als zodanig de verre voorloper van de huidige waarschuwende teksten en foto’s op tabaksproducten.

In 1981 gaf Kimm weliswaar zijn baan op, maar bleef in dienst van Niemeyer als conservator van het Niemeyer Tabaksmuseum; tevens werd hij directeur van het Noordelijk Scheepvaartmuseum in Groningen. In de loop der jaren ontstond wrijving tussen het bestuur, dat de directeur van mismanegement en creatieve armoede beschuldigde, en Kimm, die het bestuur desinteresse in het museum verweet en voorts meende dat de beschikbaar gestelde financiën ontoereikend waren. Beide partijen namen advocaten in de hand, die eind 1989 overeenstemming bereikten over een nette vertrekpremie voor Kimm.

Museale activiteiten

1956 – Niemeyer Tabaksmuseum

Rond 1956 kocht Niemeyer een particuliere collectie tabacologica waarvoor Kimm binnen Niemeyer de verantwoordelijkheid kreeg. In 1964 werd het kleine museum dat in de fabriek in Groningen was ondergebracht, verplaatst naar Amstel 57 in Amsterdam. In 1978 werd de vanaf 1963 door een jaarlijks aankoopbudget sterk uitgebreide en verbeterde collectie definitief ondergebracht in het ‘Gotische Huis’ in de Brugstraat in Groningen.
Ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van Theodorus Niemeyer ontplooide Kimm diverse initiatieven om in zowel de stad als de provincie Groningen verwaarloosd cultuurgoed te behouden en na restauraties weer bewoonbaar of toegankelijk te maken voor het publiek.

1969 – Stichting Het Landbouwkundig, Oudheidkundig en Kunstminnend Museum ‘Het Hoogeland’ in Warffum

In 1969 schonk Niemeyer het ‘Vrouw Fransensgasthuis’, daterend uit 1668, aan de provincie Groningen, dat op het terrein van een in Warffum eerder opgerichte Oudheidkamer werd herbouwd in samenwerking met de Rijksdienst voor Monumentenzorg. Kimm begeleidde namens Niemeyer de herbouw en de museale inrichting.

Rond 1971 werd Kimm voorzitter van de stichting en wist hij de Rijksdienst voor Monumentenzorg te interesseren voor, en samen te werken bij de restauratie van een deel van de terp in het dorp Warffum, en het ontwikkelen van een streek- en openluchtmuseum. De opzet om de gerestaureerde panden uit overweging van exploitatie te laten bewonen, werd in de periode 1971-1985 uitgevoerd, met inbegrip van de herbouw en complete museale inrichting. Bij Kimms vertrek bestond het complex uit ten minste tien gebouwen, alle in gerestaureerde staat. De Rijksdienst voor Monumentenzorg bleek zeer tevreden over de kwaliteit van de restauraties, mede vanwege de daarvoor aangehouden ‘consolidatie’-gedachte. Aan een journalist vertelde Kimm destijds dat het ‘Vrouw Fransensgasthuis’ in erbarmelijke staat verkeerde toen het naar Warffum werd verplaatst. Zo bleek een authentiek beddenschot wel tienmaal overgeschilderd te zijn. Kimm: “Dat is een van onze specialiteiten: we restaureren alles op practisch onzichtbare manier. Daar hebben we bij Monumentenzorg ook een geweldig grote naam in. Je moet niet de hele boel overhoop scheuren, afbreken en dan weer opbouwen. Het moet heel behoedzaam, consoliderend gebeuren, waardoor je het authentieke beeld behoudt.” (Nieuwsblad van het Noorden, ‘Ware Schoonheid in Kleine Kamertjes’, Henk J. Meijer, 23 april 1983)

1971 – Stichting ‘Het Woonhuismonument’

Deze in 1971 opgerichte stichting, mede op Kimms initiatief, stelde zich ten doel om monumentale gebouwen in de provincie Groningen – in het bijzonder woonhuizen van ‘gewone’ burgers, boerderijen en fabrieken – te restaureren. Voorzitter van de stichting werd een econoom met een eveneens meer dan gebruikelijke belangstelling voor monumenten: Mijnard Scheers. Door diens toedoen en met behulp van zijn echtgenote Grietha financierde de stichting de restauratiekosten in de meeste gevallen middels een combinatie van de verwachte verkoopopbrengst en de te verwerven subsidies, waaronder die van de provinciale en de landelijke overheid, bijvoorbeeld in het kader van leerwerktrajecten. In de loop van decennia heeft deze stichting sterk bijgedragen aan de – niet alleen in monumentaal opzicht – verfraaiing van Groningse dorpen.

1978 – Het ‘Gotische Huis’ & het Noordelijk Scheepvaartmuseum

Eveneens ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan schonk Niemeyer in 1969 het uit de 14e eeuw daterende ‘Gotische Huis’ aan de gemeente Groningen. De benodigde restauratie kwam in 1978 gereed. Het pand kreeg een museale bestemming en het bestuur van het toentertijd noodlijdende Noordelijk Scheepvaartmuseum werd vervolgens overgehaald zijn collectie in het ‘Gotische Huis’ onder te brengen.

Door een geringe bestuurskracht en een gebrek aan museale kennis binnen die organisatie werd aan Kimm gevraagd de realisering van het gehele project op zich te nemen, mede waardoor de collectie compleet gerestaureerd en nog verder uitgebreid werd.

1982 – Het ‘Canterhuis

Het ‘Gotische Huis’ bleek al snel te klein voor de collectie van het Noordelijk Scheepvaartmuseum, zodat het naastliggende, uit de tweede helft van de 15e eeuw daterende ‘Canterhuis’ er bij werd verworven. Middels plaatsing op de Monumentenlijst kon na de restauratie van het pand het gehele complex in 1982 definitief voor het publiek worden opengesteld. Het totale ontwerp was voor een niet onaanzienlijk deel het werk van Kimm en een zielsverwant, Diederik Perdok (1947-1980), waardoor het Noordelijk Scheepvaartmuseum destijds qua ambiance tot één van de fraaiste musea van Nederland uitgroeide.

Tot Kimms vertrek bij het Noordelijk Scheepvaartmuseum werd er jaarlijks een kunst- en antiekbeurs met antiquairs uit het gehele land georganiseerd. Ook werden er regelmatig – meer dan eens de aandacht trekkende – tentoonstellingen ingericht, onder andere een overzicht van het oeuvre van kunstschilder, aquarellist, etser en lithograaf H.W. Mesdag (1831-1915) over de walvisvaart, en over de Hugenoten in Nederland.

Restauratieve activiteiten

1969 – Bakkerij in Middelstum

In 1969 verhuisde Kimm vanuit de stad Groningen naar een kleine, oude bakkerij in Middelstum, die hij kocht van de Stichting Bakkerij Mendels. Met financiële steun van deze stichting en van anderen kon dit uit 1689 daterende pand in oude glorie worden hersteld, waardoor er gedurende de jaren dat Kimm er woonde, regelmatig officiële ontvangsten van de provincie Groningen plaatsvonden.

1970 – Blauwbörgje

In het buurtschap Bedum ten noorden van de stad Groningen ontdekte Kimm aan het dijkje Ellerhuizen bij toeval de bouwval van een 18e-eeuwse boerderij met de naam ‘Blauwbörgje’: een pand zonder verdieping met een hoog pannen dak dat aan de ene zijde tegen een puntgevel met vlechtingen aansluit, en aan de andere zijde met een dakschild gesloten is. Bij de restauratie werden de vensters met zesruitsschuiframen voorzien van luiken, en in het interieur balkenzolders, betimmering, tegelschouwtjes en deuren aangebracht, ten dele van elders afkomstig. Het ‘Blauwbörgje’ is een van de oudste panden in het buurtschap Bedum, dat met respect, smaak en inzicht in de historie is gerestaureerd en onderhouden. Over de geschiedenis van dit monument is weinig bekend, maar het is een goed voorbeeld van een eenvoudig huisje zoals dat in de 18e eeuw op het Groningse platteland werd gebouwd.

1980 – Oude Kijk in ’t Jatstraat 18

Na zijn terugkeer vanuit Middelstum naar de stad Groningen initieerde Kimm de restauratie van het pand Oude Kijk in ’t Jatstraat 18, in de lengte langs de straat gebouwd en aldus een van de weinige ‘dwarshuizen’ die nog uit de 17e eeuw over waren, hoewel de aanwezige kopgevel, vermoedelijk van rond 1640, het tegendeel suggereert. Datering van het pand is mogelijk op basis van de ‘Stadscaerte Groeningen’ (vogelvluchtkaart van Groningen, tweede uitgave) uit 1643 van Egbert Haubois (ca. 1610-1654).
Het 17e-eeuwse interieur was tot 1869 nagenoeg onaangetast gebleven, maar daarna werd het pand, dat aanvankelijk door weduwen van Waalse predikanten bewoond werd, totaal ‘uitgekleed’: tussen 1940 en 1975 fungeerde het als studentenhuis van hospita Tetje Hemmen, die er ook een tabakswinkel uitbaatte.

Een drastische restauratie bleek nodig: zo werden de beide 17e-eeuwse vertrekken exact in stijl gerestaureerd door de plavuizen vloeren in ere te herstellen, en de ooit verwijderde schouwen en bedsteden weer aan te brengen met originelen die uit het gehele land werden verworven. Latere stijlelementen in het pand, zoals een jugendstil interieur in de hal, werden zoveel mogelijk hersteld.

Archeologie

Al in zijn gymnasiumtijd kwam Kimm in contact met Assien Bohmers (1912-1988), verbonden aan het Biologisch-Archeologisch Instituut (B.A.I.) van de Rijksuniversiteit Groningen. Bohmers wakkerde Kimms belangstelling voor geschiedenis en het verzamelen van oudheden sterk aan, onder andere vroeg-archeologische vondsten uit de wijde omgeving van Buitenpost, die werden ondergebracht in de Oudheidkamer Veenklooster op Fogelsangh State.

In een wereld waar controverses gemeenlijk hoog kunnen oplopen, nam Kimm het in 1975 bij de bekende ‘zaak-Vermaning’ op voor Bohmers, over wie door het B.A.I. ten onrechte het gerucht van betrokkenheid werd verspreid.

Een gelijkgestemde vriend was de Friese amateur-archeoloog Jan Zijlstra (1941- 2018), deelgenoot in de verwikkelingen met het Fries Museum rond de valse ‘Vikingschat van Winsum’, met wie Kimm zijn hartstocht voor de vroege Friese geschiedenis kon delen.

Amateur-restaurateur

Naast zijn bemoeienis met het conserveren van monumentale en historische panden restaureerde Kimm zelf graag antieke voorwerpen, een vaardigheid die hij zich had aangeleerd door bestudering van de literatuur en het afkijken van de kunst van vakmensen.

Een speciale bezigheid voor hem was het ‘terugbouwen’ van een 'IJzeren Klok' uit het tweede kwart van de 17e eeuw, waarschijnlijk afkomstig uit Groningen of Noord-Duitsland. Bij aankoop verkeerde deze klok in erbarmelijke staat. Bijzonder aan de klok was het twee-assige gangwerk. Op grond van uitvoerig onderzoek naar – overigens schaarse – pendanten werden verfraaiingen toegevoegd. Uiteindelijk kon met behulp van de bekende klokkenmaker Chris Veenstra in Usquert het oorspronkelijke foliotuurwerk in ere worden hersteld.

Verzamelaar

Vooral meubels uit de middeleeuwen en de 17e eeuw hadden Kimms grote belangstelling. Uit deze periode kocht hij op veilingen in slechte staat verkerende schilderijen die hij onder aanwending van originele verfstoffen weer toonbaar maakte. Ook verzamelde hij antieke meubels, 17e-eeuws zilver en glas, en tegeltableaus. Ook ‘volkskunst’ genoot zijn belangstelling, met als Nederlands centrum (West-)Friesland en Noord-Holland, waarvan hij grote collectie aanlegde, die uiteenliep van meubels (fraai beschilderde bankjes en tafels) tot en met houtsnijkunst (schooltassen, stoven, mangelplanken) alsook typisch handwerk, zoals merklappen en knipprentkunst.

Publicatie

In de slotfase van zijn leven werkte Kimm vanaf 1998 aan een publicatie over een uitgebreid en breed opgevat onderwerp: het bewijzen dat er een samenhang bestaat tussen de historiografie, de ontwikkeling van de talen en archeologische vondsten van Noordwest-Europa van de Romeinse tijd en de eerste eeuwen daarna. Kimm kon zich niet verenigen met geijkte visies binnen de geesteswetenschappen, noch met beschikbare vertalingen van velerlei klassieke teksten en de daarop gebaseerde conclusies. In wezen ging het hem om een andere manier van geschiedschrijving: meer en duidelijker stellingname op basis van bronteksten om tot meer waarheid te komen. Dit streven verlangde van Kimm een uiterst nauwkeurige filologische benadering van bronteksten, waarvoor hij altijd te rade kon gaan bij ter zake deskundige geestverwanten. In 2008 verscheen in eigen beheer Onder Roma, Ravenna en Roskilde, dat in Nederlandse universiteitsbibliotheken beschikbaar is.