Van Adorp tot Zuurdijk

1945-1989

Blij met twintig vierkante meter

In 1949 was de Semarangstraat dan eindelijk helemaal afgebouwd. De straat was één van de eerste naoorlogse straten in de Indische buurt: er stonden portiekwoningen van twee of drie lagen hoog van rode baksteen. De stijl Amsterdamse School te noemen zou te veel eer zijn voor deze eenvoudige bouw, maar de architectuur was er wel aan verwant. Jonge ouders met hun talrijke kroost, de beroemde babyboomers, waren de koning te rijk, omdat zij een huis in deze nieuwe straat hadden kunnen bemachtigen. De meeste gezinnen hadden te lang bij hun ouders ingewoond. De Semarangstraat was een paradijs, zowel voor de ouders als voor de kinderen.

Mijn zusje Mieke (rechts) en ik op de step bij huisnummer 31; tegen de gevel de fiets van mijn vader, 1949. - Foto: familie Meijer
Mijn zusje Mieke (rechts) en ik op de step bij huisnummer 31; tegen de gevel de fiets van mijn vader, 1949. - Foto: familie Meijer

De bevolking was gemêleerd: alle gezindten waren vertegenwoordigd evenals vele beroepsgroepen. Schuin onder ons woonde Otto Roffel, de keeper van GVAV, aan de overkant een trompettist, die altijd het nieuwe jaar inblies vanuit het zolderraam, voor in de straat een dansleraar, achter in een tandarts, naast ons een cipier en onder ons een glasblazer. Interessant voer voor sociologen, vond de Groninger Universiteit, die er onderzoek naar deed.

Oranje Opel

De enkele auto’s in de straat waren van de vertegenwoordigers. Meneer Remkes bijvoorbeeld had een mooie grote Opel, zacht oranje met een wit dak. Veel handelaren kwamen nog aan de deur: de melkboer, de aardappelboer en de schillenboer, de palingboer met levende palingen kronkelend in de open kar en niet te vergeten de ijscoman met een ijsje van 5 of van 10 cent. Soms kwam Jan Roos het hoogste lied zingen, vaker het Leger des Heils.

Kinderparadijs

Maar de straat en de stoep waren van ons kinderen. Spelen op het grasveld was nergens mogelijk: ‘verboden het gras te betreden, artikel 461 van het strafwetboek’. Naar gelang de seizoenen werd er gestept, gekaatsebald, geknikkerd, land veroverd (met het keukenmesje) of verstoppertje gespeeld. Wie aangaf wanneer het knikkerseizoen was begonnen is voor mij altijd een raadsel gebleven. Het was er opeens en tegelijkertijd in de hele stad en op het schoolplein. In de winter werd er geschaatst op de Floresvijver nabij de Sionskerk. Aan de andere kant van de straat hield de bewoonde wereld toen nog op.

Verpauperd

De eens zo blije bewoners van de Semarangstraat zijn daar niet voor eeuwig gebleven. De nieuwbouw in andere delen van de stad lonkte. Het imago van de straat kreeg een flinke douw, de straat verpauperde langzamerhand. Als ik zeg dat ik mijn vroege jeugd heb doorgebracht in de Semarangstraat, zie ik mensen vaak hun wenkbrauwen fronsen. Zij weten niets van de prachtige onbezorgde jeugd die wij kinderen daar met elkaar hebben doorgebracht.

Mijn ouders, Rinus Meijer en Nel Ensdorff, in de huiskamer, circa 1955. - Foto: familie Meijer
Mijn ouders, Rinus Meijer en Nel Ensdorff, in de huiskamer, circa 1955. - Foto: familie Meijer

Interieur

En hoe zag het er nu van binnen uit in die huizen? Heel verschillend natuurlijk, maar er waren overeenkomsten. Zo hadden de meeste huizen witte vitrage voor de ramen, tapijt op de vloer en een bankstel. Televisie was er nog niet, telefoon soms aanwezig. En bij ons? Bij ons was alles anders. We woonden driehoog op 31 b. We hadden een huiskamer en drie slaapkamers, een keuken en douche en een grote zolder. De huiskamer was circa twintig vierkante meter, 5 x 4 meter, en daarin speelde het dagelijkse leven zich af als we niet op straat waren. Wij hadden geen vitrage, dat vond mijn moeder heel lelijk. Ons huis zag er van buitenaf ook een beetje bloot uit, alsof de grote schoonmaak was begonnen. We hadden gordijnen met een speels motiefje. Mijn zusje liep in een jurk van de restjes. Op de vloer lag voor het gemak bruin linoleum, zoals in de gymnastiekzaal. We schaamden ons dood. We hadden ook geen bankstel, maar twee door mijn vader ontworpen stoelen en een rond tafeltje bij de kolenkachel. Het kolenhok was op het balkon. Waar wij zaten? Ik denk aan de zelfgemaakte eettafel; op de eigen slaapkamertjes was het vaak te koud. En dan hadden we nog een grote Duitse piano. Er gebeurde eigenlijk niet zoveel bijzonders in ons jonge leventje. Het was een kleine wereld. In huis aan tafel lazen we de ‘A van Abeltje’, we tekenden wat of deden een spelletje.

Opa Kort

De alleenstaande ‘opa’ Kort at dagelijks bij familie aan de overkant. Als dat eens niet mogelijk was vanwege zijn werk, belde hij naar ons huis om dat te melden. Mijn moeder, altijd thuis dus, zette dan een krant achter het raam, zodat zijn telefoonloze familie niet op hem hoefde te rekenen. Opa Kort kwam de straat in gefietst en groette ons kinderen altijd, waarop wij allen ‘dag opa’ zeiden. Mooier kan het leven toch niet zijn, zo intiem, zo veilig.

Ik heb het nu dus over de jaren vijftig, door zo velen verguisd, onbegrijpelijk. Ja, die knellende gebreide kniekousen en die kleren van je zus en de fiets met blokken op de trappers en die eeuwige zuinigheid en die warme boor van de tandarts en nog veel meer zaken, die verleden tijd mogen blijven.

Het buitenspelen voorbij

Toen wij allen op de middelbare school zaten zijn we verhuisd. Als je de leeftijd van het buitenspelen voorbij bent, heeft zo’n straat je ook niet veel meer te bieden. Je zoekt je eigen wereld daarbuiten. Ik fiets nog wel eens door de Semarangstraat. De straat is in 1995 gerenoveerd, de rode baksteen van een zacht oranje stuclaag voorzien, de zolders verwijderd, de brandgangen afgesloten. Het geheel ziet er goed uit. Veel spelende kinderen zie ik er niet.