Van Adorp tot Zuurdijk

1945-1989

Armoede troef in Nieuwstad

Ik ben geboren aan de Nieuwstad in 1947. Mijn moeder is na het bombardement op Rotterdam naar Groningen gevlucht; het noordereiland waar zij woonde was geheel verwoest. In Groningen woonden op dat moment een aantal familieleden die Rotterdam in een eerder stadium hebben verlaten. Mijn moeder en haar drie kinderen, geboren uit haar eerste huwelijk, kregen een woning aan de Nieuwstad. Haar toenmalige man wilde niet mee naar Groningen en bleef in Rotterdam. In Groningen ontmoette mijn moeder mijn vader. Mijn vader, afkomstig uit Muntendam, was van beroep venter.

Het huis waarin wij woonden, was echt een krot. Geen deur kon dicht en het was er donker en tochtig. Er waren drie slaapkamers. De grootste was voor mijn ouders. Op de bovenverdieping waren nog twee kleine slaapkamers, daar sliepen mijn twee halfbroers en mijn halfzuster. Voor mijn geboorte in 1947 had mijn moeder nog vier kinderen gekregen van mijn vader; alle vier meisjes die op dezelfde slaapkamer sliepen als ik. In 1951 werden er nog twee broertjes geboren. Mijn ouders hebben toen de kleine slaapkamer genomen en ik verhuisde met mijn twee kleinere broers en mijn twee oudere zusters naar de grote slaapkamer.

Er was ook nog een zoldertje, daar hield onze vader zijn duiven. Het werd ons verboden die ruimte te betreden. Ik werd er erg nieuwsgierig door. Vader was vaak weg en dan ging ik naar de zolder. Ik was gelijk weg van de duiven. De kamer was groter dan onze slaapkamer.

Nieuwstad

De Nieuwstad was erg levendig, mede door de grote gezinnen die er woonden. Het leven speelde zich grotendeels op straat af. Ik wilde niet graag naar binnen; er brandde amper een lamp en als ik naar bed moest en onder die klamme dikke wollen dekens lag, dan zag ik het licht heel gluiperig tussen de dakpannen naar binnen komen. De eerste winter die ik mij herinner, was niet prettig. De stuifsneeuw kwam door die zelfde kieren naar binnen. De dekens roken altijd naar zweet omdat wij er met zijn vieren onder lagen. In de zomer was het niet te harden onder die dakpannen, dan was het net een oven. De wol kriebelde ook. Als onze moeder de dekens had gewassen moest dat in één dag droog zijn omdat we niet genoeg dekens hadden. Dan lagen ze echt klam op bed.

Elastiek

Ik werd bijna iedere morgen met een soort elastiek aan een muurhaak vastgezet samen met mijn twee jongere broertjes. Als ik naar buiten ging, was er altijd wel één van mijn zusjes die mij aan het elastiek bond. Er was een afspraak tussen mijn moeder en mijn stiefbroers over als ik moest poepen of plassen. Ik moest dan naar mijn broers lopen. De jongens zaten bijna altijd in café annex kapperszaak Caspers om de hoek van de Nieuwstad en de Folkingestraat. Als ik erheen liep, trok het elastiek al strakker en meestal was ik er nog net niet wanneer ik werd teruggetrokken. En als mijn poging wel eens lukte dan had ik al in mijn broek gescheten of gepist en kregen mijn stiefbroers ervan langs.

Echte Muntendammer

Mijn vader was ook een geregeld bezoeker van de kroeg en gedroeg zich daar als een echte Muntendammer. Velen hadden respect voor zijn vuisten. Mijn moeder had het vaak moeilijk als Rotterdamse zich te handhaven en moest heel wat incasseren door haar accent, maar na een paar fikse vechtpartijen dwong mijn vader de bewoners mijn moeder anders te benaderen.

Ik mocht een keer mee naar Muntendam en merkte dat de mensen het er beter hadden dan bij ons. Ik heb er gegeten en dat was best goed; veel vlees. De taal was er rauw en de drank vloeide er rijkelijk. Ik was best blij weer op de Nieuwstad te zijn. Daar was ook veel geschreeuw en drankgelal, maar daar hoorde ik. Ik genoot als er weer een paard en wagen (soms ook een hondenkar) naar de ijsfabriek ging om er geschaafd ijs op te halen.

School

Mijn zusjes gingen al naar school. Zij moesten zich verzamelen op de hoek van de Nieuwstad en de Schoolholm. Daar wachtte juf op ze. Zij had een lang touw bij zich waarin allemaal lusjes zaten. Daar stak je je hand in en zo ging je naar school.

Op school zag je het verschil in waar je vandaan kwam. Discriminatie bestond er over het geloof. Het allerbeste was als je een joodse achtergrond had en daarna katholiek. Was je Nederlands Hervormd dan was je minder af. Zonder geloof of niet belijdend zijn, was het ergste.

Steun

Moeder had geen geld. Ik weet nog dat ik met moeder en mijn broertje naar de steun ging. Dat was in de Kattenhage, naast het kantongerecht. Er waren daar twee gangen die werden gescheiden door een hoge muur zodat mensen elkaar niet konden zien. Het was in huis armoede troef. Een blind paard kon in ons huis niets stuk trappen. Meubels waren er haast niet, ik heb ooit twee stoelen gezien en een tafel in het midden, zelfs geen radio van de PTT en geen vloerbedekking. Ik weet dat er ook werd geleend van de joodse bewoners en dat ze dan vaak bij de deur kwamen met het leenbriefje. Zij waren gevoelloos en klinisch. Er kon geen lachje vanaf, misschien dat er daarom niets meer bij ons in huis stond.

Mijn vader stak niet veel geld in het huishouden, het meeste ging naar de kroeg en niet te vergeten zijn duiven waarmee hij veel aanzien verwierf. Vader ging ook naar de boksschool en moest een keer boksen tegen Hinne Mast. Hij woonde ook op de Nieuwstad. Mijn vader verloor de partij op technisch knock-out, als straatvechter had hij daar niets te zoeken. Verder was hij doelman bij de Groninger Boys en speelde in het noordelijk amateurelftal. Door zijn levenswijze duurde dat niet lang.

Armoede dichtbij rijkdom

Wij kregen het brood bijna altijd buiten; een dikke homp met boter en suiker, vaak niet zo vers, maar wij wisten ook niet beter en vonden het lekker. Even om de hoek van de Folkingestraat was het er beter aan toe. Zo dichtbij en zo een verschil in armoede en beginnende rijkdom. Als ik keek naar de joodse processie die vanaf de Folkingestraat de Nieuwstad aan de linker en rechterzijde passeerde op weg naar de synagoge, viel mij de statige manier van lopen op. De mannen waren helemaal in het zwart. De dames liepen daar weer achter met de kinderen. Echt een schril contrast met onze afgetrapte schoenen en kleding.

Brand

In augustus 1951 zat ik op de kleuterschool tot ik ‘s middags werd opgehaald door Appie Rodemond, de zoon van de logementhouder in de Nieuwstad. Hij nam mij bij de hand en vertelde dat ons huis in de brand stond. Terwijl hij dat vertelde, zag ik grote rookwolken. Het stond al zwart van de mensen en de brandweerwagen stond niet meer voor de deur; de straat was zo smal dat de wagen in de brand dreigde te vliegen. Ik hoorde dat de burgemeester van Groningen ook aanwezig was. Toen de brand voorbij was, werden wij ondergebracht in het logement van Rodemond. Eén van de kinderen van de familie Sekema had met lucifers gespeeld.

Vader was nog niet thuis en toen hij kwam en de smeulende resten zag, kon hij zijn emoties niet meer de baas. Zijn duiven waren allemaal gestikt van de rook. Alleen twee muren stonden nog overeind. Het was al een bewoonde bouwval, maar hier waren ineens vier families dakloos. We hebben nog drie weken in het logement gezeten en kregen toen een huis aangeboden in de Concordiastraat. Daar zijn wij lopend heengegaan.

Brand in de Nieuwstad, Nieuwsblad van het Noorden, 1951.
Brand in de Nieuwstad, Nieuwsblad van het Noorden, 1951.