"Als het ’t dorp aangaat, ben je een Bedumer" – interview met mw. H.J. van der Veen

Mevrouw H.J. van der Veen (1928), opgegroeid in de gemeente Bedum, zat negentien jaar in de gemeenteraad van Bedum. Een groot gedeelte daarvan vormde zij een ‘éénmansfractie’. Daarnaast was ze grotendeels de enige of soms één van de weinige vrouwen die destijds deel uitmaakte van de gemeenteraad. In het kader van 100 jaar vrouwenkiesrecht spreken we deze bevlogen politica over haar visie op de lokale politiek. 

"Als het ’t dorp aangaat, ben je een Bedumer" – interview met mw. H.J. van der Veen

Rond 1990. Een politieke forumdiscussie aan de vooravond van de raadsverkiezingen. V.l.n.r.: Boersma GPV, De Graaf PvdA, Voorzitter prof. Rink, Mw van der Veen VVD, Bakker CDA en Jansen D66. - Bron: Noorderkrant, foto: Herman Spier.
 

In 1974 werd mevrouw van der Veen gevraagd om voor de VVD in de Bedumse gemeenteraad te gaan. “Mijn voorganger stopte ermee. De partij heeft toen de ledenlijst erbij gepakt en gekeken wie een geschikt persoon zou zijn. Het kwam voor mij als een totale verrassing, maar het leek me wel een uitdaging. Ik heb het uiteindelijk negentien jaar met veel plezier gedaan.”

Wat vindt u het mooie aan lokale politiek? 

“Dat de gemeente centraal staat en niet de partijpolitiek. Het is niet ‘die partij wil dit en die partij wil dat’. Het gaat om de belangen van de inwoners, en die zijn partij-overstijgend. Op een gegeven moment ontstond bijvoorbeeld het idee dat alle antennes van de Bedumse daken verwijderd moesten worden om plaats te maken voor kabel-tv. Dat vond ik niet nodig. Ouderen, die aan twee zenders genoeg hadden, zouden daardoor opeens maandelijks een bedrag moeten betalen. Ik was niet de enige met deze overtuiging. Ook de PvdA stemde tegen. Dat de PvdA en de VVD elkaar vonden in deze kwestie, had niets met partijstandpunten te maken. Het ging om Bedum en de belangen van de inwoners. Dat is typisch voor een raad van een kleine gemeente: daar spelen partijbelangen niet zo’n grote rol. Als ’t het dorp aangaat, ben je een Bedumer en geen VVD’er.” 

Hoe vormde u uw standpunten? 

“Vroeger kon je je beter focussen op lokale zaken. Je moet je verdiepen en een mening vormen. Dat was in mijn tijd als raadslid misschien ook makkelijker, want je leefde meer tussen en met de mensen. Je woongebied is je werkgebied en vice versa. Als er bomen gekapt moesten worden of er werden woningen gebouwd of verbouwd, ging ik zelf op de fiets een kijkje nemen. Ik werd ook regelmatig door mensen aangesproken over hun zorgen en ideeën, bijvoorbeeld tijdens het boodschappen doen. Zo gaat dat in een kleine gemeente. Dat is juist goed: je moet als raadslid immers de mening van de inwoners van de gemeente te pakken zien te krijgen. Om die reden stelde de VVD per 1 januari 1975 een schaduwfractie op in Bedum. Daarin zaten inwoners uit alle gelederen van de maatschappij: een boer, een ondernemer, een onderwijzer, enzovoort. Daarnaast bevatte deze schaduwfractie natuurlijk ook inwoners uit Onderdendam en Zuidwolde. Zo kreeg ik een duidelijker beeld van de gemeentebelangen.” 

Dat lokale karakter is door de gemeentelijke herindelingen wel veranderd.  

“De gemeente Bedum was een overzichtelijke gemeente, waar de gemeenteraad zich over hele specifieke lokale zaken kon buigen. Dat de gemeente Bedum is opgegaan is de gemeente het Hogeland verandert dat. Kleine dorpen voelen zich niet vertegenwoordigd in zo’n grote gemeente. Dat verklaart ook de opkomst van lokale politieke partijen. Mensen zoeken elkaar op, starten bewonersinitiatieven en blazen dorpshuizen een nieuw leven in. Ik zou zelf nooit gemeenteraadslid geworden zijn in zo’n grote gemeente. Ik heb immers geen band met al die dorpen: ik ken Roodeschool of Zoutkamp niet goed genoeg om te weten wat er speelt, of wat de inwoners willen. Ik zou niet kunnen zeggen wat het beste is voor die dorpen, noch goede ideeën aandragen – want ik woon er niet. In die zin is de lokale politiek wel veranderd: er wordt bestuurd op afstand. En dat past persoonlijk niet bij mij.”

<p>Mw. H.J. van der Veen-Bleker achter de raadstafel in de gemeenteraad van Bedum. - Bron: Noorderkrant 26-2-1986, foto Herman Spier</p>

Mw. H.J. van der Veen-Bleker achter de raadstafel in de gemeenteraad van Bedum. - Bron: Noorderkrant 26-2-1986, foto Herman Spier

U was lange tijd de enige vrouw in de gemeenteraad. 

“In totaal heb ik van 19 jaar in de gemeenteraad gezeten, van 1974 tot en met 1993. Het thuisfront steunde mij daarin. Het huishouden alleen schonk mij geen voldoening. Mijn hersens stonden immers niet stil tijdens het stofzuigen. Maar zowel bij mijn aantreden als bij mijn afscheid was de gemeenteraad een mannenbolwerk. Ik was inderdaad ook jarenlang de enige vrouw in de raad. Daar heb ik overigens nooit als vervelend ervaren. Ik kon persoonlijk met iedereen goed overweg. Er is mij ooit wel eens verweten dat er niet over emancipatie werd gerept in ons verkiezingsprogramma. Maar toen dacht ik: kijk eens naar deze tafel met fractievoorzitters. Ik ben de enige vrouw. Dat zegt toch genoeg?”

Heeft er zich ooit een situatie voorgedaan waarin u tegenover de mannelijke raadsleden stond?

“Ten tijde van verkiezingen was het de gewoonte dat de gemeentelijke stembureaus geleid werden door de verschillende fractievoorzitters. Ik bleek de enige fractievoorzitter te zijn die niet was gevraagd om zo’n stembureau voor te zitten. Die taak was toebedeeld aan de nummer 2 op de lijst VVD, een man. De burgemeester zei later dat hij daar helemaal niet bij stil had gestaan, het was een vorm van automatisme. Een ander voorbeeld: in de jaren zeventig werd vanuit het rijk aan Bedum de vraag gesteld of er ergens in de gemeente plek zou zijn voor een woonwagenkamp. De mannen riepen gelijk ‘nee’. Er zat toen echter nog een vrouw in de raad: Joke Cornelis van de PvdA. Wij, toch twee uitersten van het politieke spectrum, reageerden beide iets genuanceerder dan de mannen. Op zich zou er toch ergens in de gemeente Bedum een plek te vinden moeten zijn, zeiden we. De burgemeester merkte toen op: ‘goh, de dames in de raad zijn het eens’. Maar ja, je zou met je gezin maar nergens terecht kunnen. Dat kan toch niet?”

Heeft dat te maken met een groter empathisch vermogen van vrouwen? Is het daarom belangrijk dat meer vrouwen politiek actief gaan worden? 

“Misschien wel. Veel mensen vinden dat toch belangrijk. Ik heb vroeger ook stemmen gekregen van mensen die normaalgesproken op andere partijen stemden, omdat ik het enige vrouwelijke gemeenteraadslid was. Zelf sta ik voor emancipatie: gelijkheid tussen man en vrouw. Daarom ben ik van mening dat meer vrouwen zich beschikbaar moeten gaan stellen in de politiek. De maatschappelijke situatie anno 2019 is natuurlijk ook anders dan in mijn tijd. Het gaat de goede kant op. Maar we zijn er nog lang niet.” 

<p>Mw. H.J. van der Veen-Bleker. Foto: Alko van der Laan</p>

Mw. H.J. van der Veen-Bleker. Foto: Alko van der Laan