1648-1815

Abeltje Lubberts, de grootste Groningse

Velen beschouwen Aletta Jacobs als de grootste Groningse uit het verleden. Maar de allergrootste Groningse is Abeltje Lubberts. Althans letterlijk de grootste. Zij meet immers zo’n 2 meter 40. 

Tussen 1780 en 1785 is Abeltje tot in Duitsland bekend als “ABELTIE, die grosse Riessin 8 fus etl. zoll gros, aus Holand Gröningen gebürtig”. De Stichting Atlas van Stolk beschikt over een gravure met deze tekst eronder. Op die prent zien we een reuzin van top tot teen met naast haar een volwassen man, die amper tot haar middel reikt.

De reuzin Abeltje op een Duitse gravure uit de 18e eeuw - Stichting Atlas van Stolk
De reuzin Abeltje op een Duitse gravure uit de 18e eeuw - Stichting Atlas van Stolk

Van Kolham naar Groningen

Abeltje is geboren in Kolham. Na het overlijden van haar vader Lubbert Jans komen zij en haar moeder Maijke Jans onder diaconiezorg. In het najaar van 1777 overlijdt ook haar moeder. En dan onstaat het plan om de nog geen 21 jaar oude Abeltje als reuzin te laten bezichtigen.

Begin maart 1778 vertrekt Abeltje vanuit haar geboortedorp naar de stad Groningen. Daar sluit zij zich aan bij “een troup vreemde persoonen om weegens haare buitengewoone grootte van postuir onder de naam van een Reusin bezien te worden”. De diakenen te Kolham maken zich grote zorgen om Abeltje. Zij zijn bang, dat “Abeltje Lubbers met die zwervende persoonen blijft ommereijsen” en dat zij “t’eeniger tijd naakt en berooft van alles” naar Kolham terugkeert en dan weer onder diaconiezorg zal vallen. Volgens de diakenen bevindt Abeltje zich in een herberg in de Hofstraat en zij vragen het stadsbestuur Abeltje naar huis terug te sturen. Zo geschiedt en Abeltje keert weer terug naar Kolham. Echter niet voor lang.

Het contract

Want een paar weken later op 6 april sluit zij samen met haar zwager Harm Jans een contract met Harm Jans Ploeger te Hoogezand. Zij komen overeen “met elkander te reizen ten einde gemelde Abeltje Lubberts wegens haar ongemeene grootte te laten bezien”. De inkomsten zullen ze met zijn drieën delen, maar reisgeld en kostgeld komen volledig voor rekening van Harm Jans en Harm Jans Ploeger. De vrouw van de laatste zal meereizen en “de huishoudelijke beezigheden in agt nemen”. Het contract geldt voor een jaar en binnen dat jaar mag Abeltje niet trouwen.

Andermaal slaan de diakenen van Kolham alarm. Nu bij de richter van Sappemeer. De diakenen beschouwen zich “als haar steedevaders” en vragen “ter voorkominge van verdere gevreesde onheilen” om hulp. Tevergeefs. Het contract is geldig. Het laatste levensteken van Abeltje is van 29 april 1778 als zij 1 gulden aan de diaconie van Kolham doneert. Haar eerste verdiensten als reuzin?

Naar Duitsland, en dan...?

Daarna vertrekt de groep naar Duitsland om Abeltje te laten bezichtigen op kermissen en misschien aan vorstenhoven. Dit laatste is niet zo’n gekke veronderstelling want de maker van de gravure, Waitz, is een tekenaar en graveur die te Weimar leefde en al op jonge leeftijd voor o.a. Goethe illustraties maakte. In 1784 is Harm Jans Ploeger terug in Hoogezand. En zwager Harm Jans (Mooi) treffen we in 1789 berooid aan te Slochteren. Maar Abeltje is niet te vinden. Heeft zij in Duitsland een nieuwe manager gevonden?