Van Adorp tot Zuurdijk

1815-1914

1834: Afscheiding in Ulrum

Met de kerkelijke beweging in de 19e eeuw die we de Afscheiding noemen, verloor de Nederlandse Hervormde Kerk een deel van haar orthodoxe leden. Er vormden zich afgescheiden gemeenten. Uiteindelijk ontstonden zo gereformeerde kerken (in een bonte verscheidenheid). Die beweging begon in het Noord-Groninger dorp Ulrum, in 1834 , onder leiding van ds. Hendrik de Cock.

1834: Afscheiding in Ulrum
De Gereformeerde kerk van Urum, ca. 1925. - Ansicht: www.beeldbankgroningen.nl (1986-21678)

Al in de 18e eeuw waren vele orthodox-gereformeerden ontevreden over de vaderlandse kerk. Die kerk werd tot ver in de 18e eeuw altijd de gereformeerde en vervolgens de hervormde kerk genoemd. En hoewel zij officieel nooit een staatskerk is geweest, was zij wel tot 1795 de enige officieel toegestane kerk, hoewel andere kerken wel werden getolereerd. Nu was het niet die bevoorrechte positie van de Hervormde Kerk waarover haar orthodoxe leden ontevreden waren. Zij morden echter wel over de geest van rationalisme en vrijzinnigheid die er de overhand had gekregen. 

Koning Willem I legde een 'Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk' op. Daarmee werd de oude Dordtse kerkorde van 1618-'19 aan de kant gezet en vervangen door een reglement dat het centrale gezag binnen de kerk in handen van de overheid legde. Een ondubbelzinnige handhaving van de aloude gereformeerde belijdenisgeschriften paste niet bij die strategie: de overheid wenste geen onenigheid in het land over leerstellige kwesties; er diende ruimte te zijn binnen de nationale kerk voor velerlei godsdienstige opvattingen. Het orthodoxe deel der natie protesteerde. Uiteindelijk liepen deze protesten uit op een Afscheiding van een deel der orthodoxe leden en dit gebeurde voor het eerst in Ulrum, in 1834.

Mindere stand?

In de gemeente Ulrum woonden in die tijd ongeveer 2500 mensen. In die samenleving hadden de rijke boeren het voor het zeggen. Tussen de boer en zijn arbeiders werd de sociale verwijdering echter steeds groter. Rond 1820 kwam er een eind aan de bloei in de landbouw. Die neergang had ook z'n weerslag op het inkomen van de arbeider, de ambachtsman en de winkelier. Tekenend is, dat in die tijd het kerkhof en het armenhuis vergroot moesten worden in Ulrum. Omdat de Afgescheidenen van 1834 in Ulrum in meerderheid behoorden tot de zgn. 'mindere stand', hebben wetenschappers wel beweerd dat die Afscheiding eigenlijk een sociale strijd is geweest. Die opvatting wordt niet meer zonder meer onderschreven, omdat er een breed scala van aspecten aan de Afscheiding ten grondslag ligt, waarbij ook zeker de oprecht godsdienstige motieven van de aanhangers aandacht verdienen.

Al ver voor 1834 was er kwestie binnen de kerk in Ulrum, waaruit bleek dat de kerkenraad een confrontatie met de heersende liberale elite van die tijd niet uit de weg ging: Het collatierecht in Ulrum was in handen van een groep van veertien vooraanstaande boeren. Onder hen waren er ook die zelfs geen lid waren van de Hervormde Kerk (o.a. drie doopsgezinden). Toen er in 1823 een nieuwe predikant benoemd moest worden, betwistte de kerkenraad dan ook de ‘heren-veertien’ het benoemingsrecht. Uiteindelijk kreeg de kerkenraad na een drie jaar durende twist zijn zin: een dominee waar tegen de raad geen bezwaar had, werd benoemd: Petrus Hofstede de Groot.

In 1829 werd Hofstede de Groot echter professor aan de universiteit in Groningen. Zijn plaats in Ulrum werd ingenomen door een vroegere studiegenoot: Hendrik de Cock. Diens theologische opvattingen onderscheidden zich niet van de toen gangbare liberaal-protestantse visie. Maar in Ulrum waren er mensen die ervan overtuigd waren dat ze zelf onmachtig waren: van nature geneigd tot alle kwaad, vanuit zichzelf tot niets goeds in staat en zeker niet in staat om zelf ook maar het geringste bij te dragen aan hun zaligheid. 

De dominee bekeerd

Anders dan zijn voorganger voelde De Cock zich niet verheven boven de eenvoudige, vaak ongeletterde kerkgangers met hun orthodoxe opvattingen. Langzamerhand kwam hij tot de conclusie dat niet hun, maar juist zijn eigen opvattingen niet deugden. Zo werden zijn preken steeds duidelijker rechtzinnig-gereformeerd. Het duurde niet lang of tot ver in de omgeving van Ulrum raakte bekend dat de dominee van Ulrum bekeerd was en de 'oude waarheid', gebaseerd op Schrift en belijdenis, verkondigde.

Het feit dat De Cock ook kinderen uit naburige dorpen doopte en dat hij in scherpgestelde brochures de opvattingen van de heersende kerk bestreed, zette kwaad bloed. Er ontbrandde een kerkrechterlijke strijd, die er in eerste instantie toe leidde dat De Cock door de classis werd geschorst in zijn bediening. Vervolgens werd hij in mei 1834 afgezet door de provinciale kerkvergadering, uiteindelijk op grond van een geschrift waarin hij zich had gekeerd tegen de in 1807 ingevoerde Evangelische Gezangen. Schorsing en afzetting hadden in Ulrum geleid tot veel onrust. De aanhang van De Cock was verontwaardigd.

Al direct de eerste zondag na de schorsing ontstonden er moeilijkheden toen consulent ds. Smith van Leens in plaats van De Cock moest voorgaan in Ulrum. Vier militairen werden ingezet om de consulent te beschermen tegen een opdringende, scheldende menigte. Er werden door De Cock en zijn aanhang in die periode regelmatig bijeenkomsten gehouden bij gemeenteleden thuis; met name de kuiperij van de weduwe Geertje Koster-Hulshoff, op de hoek Noorderstraat-Schaapweg, fungeerde als plaats van samenkomst. Dit leidde in juli 1834 tot een boete van 50 gulden, plus kosten voor de weduwe. In die tijd een fors bedrag.

'Acte van afscheiding of wederkeering, en toespraak uitnoodiging aan de Geloovigen en ware Gereformeerden in Nederland'
'Acte van afscheiding of wederkeering, en toespraak uitnoodiging aan de Geloovigen en ware Gereformeerden in Nederland'

Acte van afscheiding

Op 9 oktober verscheen een medestander van Hendrik De Cock in Ulrum: ds. H.P. Scholte (1805-1868), predikant van Doeveren, Genderen en Gansoyen. Hij was een voorstander van vrije, zelfstandige kerken, en het is niet onmogelijk dat zijn aanwezigheid de gang van zaken in Ulrum beïnvloed heeft. In ieder geval: op maandagavond 13 oktober 1834 stelde De Cock aan de kerkenraad voor, over te gaan tot Afscheiding van de Nederlandse Hervormde Kerk. De kerkenraad ging unaniem akkoord en ondertekende een 'Acte van Afscheiding of Wederkeering'. Op 14 oktober werd de acte, in de woning van de weduwe Koster, voorgelegd aan de daar vergaderde gemeenteleden.. Een belangrijk deel van de lidmaten der Hervormde Kerk te Ulrum en een groot aantal andere personen - in totaal 137 - ondertekenden de acte van Afscheiding.

Na die gebeurtenis namen de onrust en spanning in Ulrum nog danig toe in. Een compagnie van meer dan 100 soldaten werd naar het dorp gestuurd om de orde te handhaven en de afgescheidenen te intimideren. Eind november werd De Cock gevangen gezet in Groningen. Spoedig kwam het overal in het land tot afscheiding van de Hervormde Kerk. Door gerechtelijke vervolging en inkwartiering van soldaten trachtte de overheid de afscheidingsbeweging te onderdrukken. Maar het tij was niet meer te keren. In april 1835 waren er alleen al in de drie noordelijke provincies twaalf afgescheiden gemeenten gevormd.

Gereformeerd

In de jaren na 1834 ontstonden er in het hele land afgescheiden groepen. Represailles van de overheid hadden niet het gewenste effect en na enige jaren kon toestemming van de overheid verkregen worden om een eigen kerk te stichten, mits men afzag van aanspraken op enig bezit van de Hervormde Kerk, zelf voor de armen der gemeente zorgde en de naam gereformeerd niet gebruikte. Vele groepen maakten van deze gelegenheid gebruik en zo ontstonden de Chr. Afgescheiden Kerken. Dit leidde meteen al tot onderlinge twist en scheuring, omdat een aantal niet wenste te buigen voor de overheid en liever bleef 'lijden' ('onder het kruis') dan dat ze de naam "gereformeerd" zou moeten opgeven (de zgn. kruisgemeenten).

In 1869, toen herkenningseis vanwege de overheid verviel, herenigde zich een deel van de kruisgemeenten met de chr. afgescheidenen; samen vormden ze de Chr. Gereformeerde Kerk. In 1892 ging het grootste deel van de Chr. Geref. Kerken samen met de kerken van de Doleantie (een nieuwe afscheidingsbeweging in de Ned. Hervormde Kerk o.l.v. Abr. Kuyper); zo ontstonden de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN); een deel van de chr. gereformeerden bleef buiten de samenwerking: de huidige Chr. Gereformeerde Kerken. Vervolgens deden zich in de 20e eeuw nog allerlei splitsingen (en een enkele hereniging) voor binnen de gereformeerde kerkgenootschappen. Het zou te ver voeren, die hier allemaal te noemen; we beperken ons tot de enige splitsing sinds 1892 die in Ulrum niet zonder gevolgen bleef: de zgn. vrijmaking van 1944. In 1944 scheurden de GKN. Zo ontstonden naast de GKN de GKN-Vrijgemaakt.

Afscheidingen en herenigingen

Bij die ene Afscheiding van 1834 is het dus niet gebleven. Aan de andere kant kwam er begin jaren ’60 van de 20e eeuw ook een Samen op Weg- beweging op gang. In december 2003 besloten de generale synodes van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk zich te verenigen in de Protestantse Kerk in Nederland.