Nieuwsbericht

27 juli 2015

Scheeps- en schippersverhalen tijdens ZomerWelVaart

Het was een feestelijk gezicht, de historische schepen en de marktkraampjes langs de kade van het Hoge der Aa tijdens de eerste editie van ZomerWelVaart. De Verhalen van Groningen en het Noordelijk Scheepvaartmuseum organiseerden een tweedaags festival dat in het teken stond van zeilen, varen en de ontstaansgeschiedenis van het Stadskanaal. Bij de ongeveer vijfduizend bezoekers waren er flink wat met een eigen interessant verhaal, dat ze deelden tijdens een van de verhalencafés.

Schepen, en dan vooral historische bedrijfsvaartuigen, roepen bij velen herinneringen op. Meneer Winkel woont nu in Groningen maar is in Hoogeveen geboren als schipperszoon. “Schepen blijven trekken, hoewel ik door lichamelijk ongemak nooit de scheepvaart in ben gegaan.” De herinneringen aan zijn vroegere schippersfamilie bewaart hij zorgvuldig: “Het anker van de schipperspet van mijn grootvader en zijn pruimtabakblik koester ik nog steeds.” Winkel vertelt ook over de boten van Rederij Stânfries (1933-1948) en hoe hij zich herinnert dat die met grote deining bijna om leken te slaan: De onderkant van de schepen werd zichtbaar, zo ging het tekeer.  

Schipperskinderen

Meneer Cornelis is opgegroeid aan de Friesetraatweg, tegenover Groninger Scheepswerf Botje, Ensing & Co. Hij vertelt over de schippers: “Ouders en kinderen droegen alle dagen zwart en altijd dezelfde kleding. Bij het schaatsen droegen ze onder de ondergebonden schaatsen enkel zwarte slofjes van leer.” Cornelis herinnert zich de zwier waaraan schippers herkenbaar waren. “Het schipperszwieren was heel herkenbaar, de afzet, de lange slagen: zo konden alleen de schippers dat.” Maar ook vertelt hij over de strijd en concurrentie die er tussen de schippers onderling was.

Nieuwe Zorg

Schipper Bart Vermeer van de Nieuwe Zorg is één van de schippers die op ZomerWelVaart zijn Biesboschaak uit 1906, waarop hij het hele jaar woont met zijn vrouw Kee. Ook hij kan smakelijke schippersverhalen vertellen, bijvoorbeeld over de familie Zoeteman, die jarenlang met de Nieuwe Zorg heeft gevaren. “Piet Zoeteman kocht de Nieuwe Zorg in 1928. Hij was een rouwdouwer en kon niet lezen of schrijven. Hij loste zijn problemen op met een hoop verbaal geweld.” Toen Vermeer de Nieuwe Zorg in 1976 kocht van de weduwe Zoeteman, zat het schip vol deuken. Voor Vermeer horen ze bij de geschiedenis van het schip. “Toen ik het schip kocht, werd er over Zoeteman gezegd: 'Als je net zo veel guldens hebt als die man gevloekt heeft, hoef je nooit meer te werken!'”

Schipper Bart Vermeer (rechts) vertelt schippersverhalen in het voormalig ruim van zijn Nieuwe Zorg. - Foto: Els Zwerver
Schipper Bart Vermeer (rechts) vertelt schippersverhalen in het voormalig ruim van zijn Nieuwe Zorg. - Foto: Els Zwerver

Vermeer vertelt tijdens ZomerWelVaart nog meer smakelijke en spannende schippersverhalen aan enthousiaste toehoorders, bijvoorbeeld over de keer dat de Nieuwe Zorg een historische vaart maakte met een lading turf. Spontaan begint de 83-jarige Jan Broekema over zijn jeugd: “Ik ben in 1932 geboren in Vriescheloo en ik herinner me nog hoe we turf staken en ook hoe dat gestapeld moest worden. Om het schuiven van de deklast te voorkomen, legden we om de paar lagen een jute zak op elke hoek. Zo kreeg je meer stevigheid.” Broekema's oom voer op een turfschip en zijn familie kocht jaarlijks een 'dagwerk' veen. “Een stokloper mat het kavel, misschien zal het een are geweest zijn. We staken de turf dan zelf, voor eigen gebruik: je kon er een jaar mee vooruit.”

Grote vaart en energiecentrale

Meneer Middelham vertelt gepassioneerd over zijn tijd op de grote vaart. Geboren op Sumatra kwam hij vlak na WOII als evacué naar Nederland. Hij voer onder andere als derde assistent op een coaster naar Afrika; de motoren van de grootste schepen konden zo groot zijn als flatgebouwen. “We moesten dubbele diensten draaien om het schip te leren kennen, pas dan konden we doorgroeien.”
Na deze periode volgde hij een opleiding om met turbines te werken en werkte hij dertig jaar bij de energiecentrale in Groningen. Het iconische gebouw met vijf pijpen had destijds onder andere ook een bijzondere ketel die met poederkool gestookt werd. Over het werken met de vijf turbines vertelt meneer Middelham: “We moesten de turbines stoken tot 530 graden, maar bij 535 graden klonk er een alarm. Soms stonden we even te praten en ging het alarm af. Dan moesten we snel ingrijpen door gloeiend water in de ketels te spuiten.” De stroom die werd opgewekt was afhankelijk van de vraag: “’s Morgens vroeg was er meer vraag en moesten we meer energie opwekken, daarom begonnen we ’s nachts al met opwarmen.” Thuis liggen nog een paar meter van de centrale als herinnering aan zijn tijd bij de Energiecentrale.

Oude schepen maken de tongen los, zo blijkt wel tijdens de twee dagen ZomerWelVaart. De Verhalen van Groningen organiseert nog meer verhalencafés. Hebt u ook een interessant verhaal? Deel het met ons!