Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1945

Zweeds meel, geschenk uit de hemel

Op 28 januari 1945, precies 70 jaar geleden, liepen twee Zweedse schepen de haven van Delfzijl binnen. Aan boord bloem, gort, erwten, melkpoeder, margarine, gedroogde groente en levertraan: hulp voor de hongerende bevolking in bezet Nederland.

Zweeds meel, geschenk uit de hemel
Het Rode Kruisschip Hallaren wordt in de haven van Göteborg geladen, 1945. - Foto: I Bild, Zweden

“Als we het stedeke Delfzijl genaderd zijn, zien wij reeds de draaiende kranen en even een glimp van een witte schoorsteen boven de huizen. Twee Roode Kruis vlaggen wapperen hoog van de masten in de klare winterlucht.” Zo berichtte de propagandakrant Het laatste nieuws op 31 januari 1945 over de twee Zweedse schepen met voedselhulp, die drie dagen eerder in de haven van Delfzijl waren aangekomen. Zelfs pro-Duitse media beseften op dat moment dat de levensmiddelen hard nodig waren: “... het zijn geschenken van onschatbare waarde voor onze hongerende vrouwen en kinderen.”

Artikel in de Göteborgs Posten van 21 januari 1945: 'Hulp aan Holland in de startblokken'
Artikel in de Göteborgs Posten van 21 januari 1945: 'Hulp aan Holland in de startblokken'

Akkoord

Al in oktober 1944 begon de voorbereiding van dit voedseltransport. Omdat de vijandelijke partijen - geallieerden, bezetters en daarbij het neutrale Zweden – op elk niveau met elkaar moesten samenwerken en overleggen, nam de organisatie heel wat tijd in beslag. Half januari bereikten het Zweedse ministerie van Buitenlandse Zaken een akkoord met zowel de Duitsers als de Britten en op 24 januari vertrokken de Dagmar Bratt en de Nöreg uit de haven van Trelleborg. Vier dagen later liepen de schepen binnen in de haven van Delfzijl.

De schepen meerden eerst af op boeien in de haven, omdat het al avond was en donker. De volgende ochtend meerden ze af aan de kade. De Dagmar Bratt en de Nöreg genoten onschendbaarheid en om ervoor te zorgen dat ze niet werden gebombardeerd, werden ze fel verlicht.

Het Rode Kruisschip, misschien zijn het er meer dan één geweest, dat weet ik niet, liep op de haven van Delfzijl binnen en lag daar, fel verlicht, met een rood kruis op het dek, midden in de haven. Ik kan me nog heel goed herinneren dat we ’s avonds door het donker en de ‘verduistering’ zijn wezen kijken naar dat schip, dat daar zo fel verlicht in de haven lag en op mij – ik was toen vijftien jaar oud – een onuitwisbare indruk heeft achtergelaten.

Mevrouw E. Godlieb-Tjaden, Delfzijl

Vertraging

Op 30 januari werd begonnen met het lossen van de schepen. “Het lossen ging niet zoals zou worden verwacht, want het nam bijna veertien dagen in beslag” vertelt kapitein Eric Jönsson na terugkeer in Zweden aan de krant Göteborgs Posten

“Dit kwam door onderhandelingen tussen onze controle-officieren en de autoriteiten, terwijl ook de elektriciteit het soms liet afweten.” Omdat het schip nog niet gelost mag worden, mag er ook niets aan boord worden gebracht en raakt de proviand van de bemanning op. “Door bemiddeling van de Duitsers kwam er weliswaar een aanvulling, maar dat nam niet weg dat men toch te maken kreeg met de zwarte markt, waar bijvoorbeeld een kilo thee duizend gulden kostte.”

Het havenpersoneel werkte hard, gemotiveerd door de gedachte dat ze levensreddend werk verrichten. De lading werd verdeeld over binnenvaartschepen. Vervoer per spoor of vrachtwagen was bijna onmogelijk door de schaarste aan materieel en brandstof.

“Men verzette tweemaal zoveel werk als anders voor de Duitsers. Er waren ploegen gevormd: zes man in de ruimen van de boot, een reepgast, twee tallieman. Dit waren tellers; daar nam men bij voorkeur een kruidenier voor, want tellen was een secuur werk, waarbij de Duitsers op de vingers keken. Dan nog vier man in de lichters. Zo werd een binnenschip geladen vanaf zeven uur en het was voor twaalf uur al klaar. Meteen kwam er een nieuwe onder de Zweed. Later kwamen er berichten uit het Westen, dat het volk hier bedankt werd.”

J. Drenth, Delfzijl

Naar het Westen

De kleinere binnenvaartschepen worden door de Delfzijlster schilder Patberg voorzien van rode kruisen op romp en dekkleden en vertrekken daarna naar steden in het Westen: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Leiden zijn de bestemmingen. Maar het duurt nog enkele weken voordat het voedsel daar aankomt. In propagandakrant Het laatste nieuws (31 januari 1945) werd een kort gesprekje met een schipper afgedrukt: 

“Ik heb net bericht gekregen dat de vaart naar Harlingen gestemd is door het ijs,” vertelt [schipper Meyer van de Stanfries II] ons. “Dat zou een groote strop zijn. We weten hoé dringend deze lading in de groote steden noodig is. ’t Zou zonde en jammer zijn, als er nou een langere stagnatie kwam, nu het eten goed en wel in ons land is aangekomen. Wij willen wel, maar tegen het ijs kunnen we niet op. En een ander middel van vervoer is er tegenwoordig niet.”

Op 27 februari kwam het meel aan en konden bakkers in het Westen beginnen met bakken, in gecentraliseerde bakkerijen, om elektriciteit en brandstof te sparen. De hongerende bevolking kon niet lang daarna het rantsoen ophalen. Voor iedereen boven de vier jaar was er een half Zweeds wittebrood en een klein pakje Zweedse margarine.

Bloembollen

De ‘Dagmar Bratt’ en de ‘Nöreg’ keerden zonder lading weer terug naar Zweden, waar ze op 22 februari aankwamen. Omdat de schepen als Zweedse Rode Kruisschepen werden beschouwd, was het hen niet toegestaan lading – zoals bloembollen voor Zweedse kwekers – als retourvracht mee te nemen. Kapitein Jönsson vertelde in de krant Göteborgs Posten:

Het laden van de Hallaren in de haven van Göteborg, februari 1945. - Foto: I Bild, Zweden
Het laden van de Hallaren in de haven van Göteborg, februari 1945. - Foto: I Bild, Zweden

“Of we nog iets mee naar huis hebben genomen? Nee, er was werkelijk niets te koop. Het enige was bloembollen,” zei kapitein Jönsson en hij wees naar een prachtige bak met rose hyacinten op de tafel in de gezellige mess. “Bollen waren redelijk goedkoop, maar de rest was enorm duur en de zwarte markt tierde welig. [...] Nee, het is fijn om weer thuis te zijn.”

Nog meer schepen

Op 1 maart arriveerde opnieuw een Rode Kruisschip in Delfzijl: de ‘Hallaren’, die rond 4000 ton levensmiddelen in het ruim had liggen, net zo veel als de twee eerdere schepen samen. Op 22 maart meerde de Dagmar Bratt opnieuw aan en op 1 april kwam de Hallaren nogmaals aan met hulpgoederen. Toen Delfzijl in april frontgebied werd, gingen de hulpschepen naar het inmiddels bevrijde Den Helder.

Pamflet met dankgedicht voor de voedselhulp, voorjaar 1945.
Pamflet met dankgedicht voor de voedselhulp, voorjaar 1945.

 

Dit artikel is mede tot stand gekomen door Jeroen Hillenga, streekarchivaris Delfzijl, en Hans Beukema, historicus en auteur. Het citaat van  E. Godlieb-Tjaden komt uit N. Scheepmaker, Het Zweedse wittebrood.