Vier 'Groningse' Nobelprijzen

Met de toekenning van de Nobelprijs voor Scheikunde aan Ben Feringa heeft Groningen een vierde laureaat om trots op te zijn. Andere winnaars werden geboren in Groningen of verrichtten hun onderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen, die al sinds 1614 een broedplaats is voor talenten.

Vier 'Groningse' Nobelprijzen

De commissieruimte van het Noorse Nobelcomité. Op de muren hangen de portretten van alle winnaars van de Nobelprijs voor de Vrede.

Feringa (1965, Barger-Compascuum) heeft de Nobelprijs verdiend op het gebied van moleculaire nanomachines. Hij deelt de prijs met zijn collega-onderzoekers Jean-Pierre Sauvage en James Stoddart. Op 10 december 2016, de 120e sterfdag van de naamgever van de prestigieuze prijs, neemt Feringa de medaille in ontvangst. Enkele dagen daarvoor geeft hij zijn Nobellezing in Stockholm. 

Prijs voor 'het grootste nut'

Alfred Nobel (1833-1896) was bij leven vooral bekend als de steenrijke uitvinder van dynamiet en andere explosieven. In 1888 overleed zijn broer Ludvig, maar een Franse krant publiceerde per ongeluk Alfreds overlijdensbericht: 'Dr. Alfred Nobel, die rijk is geworden met het ontdekken van manieren om zoveel mogelijk mensen zo snel mogelijk te doden, is gisteren overleden.' Nobel was geschokt en zon op een manier om als een beter mens herinnerd te worden na zijn overlijden. In zijn testament liet hij daarom de uitreiking van vijf jaarlijkse Nobelprijzen vastleggen, voor 'hen die in het afgelopen jaar aan de mensheid het grootste nut hebben verschaft'.

In totaal hebben 870 personen en 23 instellingen een Nobelprijs mogen ontvangen. Onder hen zijn er vier met een Groningse achtergrond: Heike Kamerlingh Onnes (1913, voormalig student aan de RUG), de Hongaar Albert Szent-Györgyi (1937, voormalig onderzoeker aan de RUG), Frits Zernike (1953, hoogleraar aan de RUG) en in 2016 dus RUG-hoogleraar Ben Feringa.

Heike Kamerlingh Onnes en 'het koudste plekje ter wereld'

In 1870 begon Kamerlingh Onnes met zijn studie wis- en natuurkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij ook zijn propedeuse in de scheikunde behaalde. Hij promoveerde in 1879 in Groningen en werd in 1882 hoogleraar aan de Universiteit van Leiden. 'Door meten tot weten' was de slagzin van zijn laboratorium, waar hij het vloeibaar maken van gassen onderzocht. Op 10 juli 1908 slaagde Kamerlingh Onnes er als eerste in om helium bij een temperatuur van -269 ºC vloeibaar te maken. Zijn laboratorium zou nog geruime tijd als 'het koudste plekje ter wereld' gelden. Voor dit onderzoek ontving hij in 1913 de Nobelprijs.

Albert Szent-Györgyi: ‘Great excitement in my little basement room in Groningen’

De Hongaar Albert Szent-Györgyi studeerde geneeskunde in Boedapest, maar moest zijn studie onderbreken om tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het front te vechten. Via Duitsland kwam hij in 1920 in Leiden terecht. Twee jaar later ging hij naar het laboratorium van prof.dr. H.J. Hamburger aan de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij vier jaar lang zou werken.

Hamburger richtte een nieuw laboratorium in voor Szent-Györgyi, maar deze weigerde hij. Hij wilde in een kleine kelder beginnen, want dat hadden zijn grote voorbeelden Pasteur en Bernard immers ook gedaan. Szent-Györgyi werkte in het laboratorium aan een onderzoek naar celademhaling en biologische oxidatie. Zowel dierlijke als plantaardige weefsels konden een bruinverkleuring vertonen, maar een stof in sommige planten – zoals citrusvruchten – bleek het oxidatieproces sterk te onderdrukken. In 1931 werd vastgesteld dat deze stof vitamine C was. Hiervoor werd hij in 1937 onderscheiden met de Nobelprijs. Tijdens zijn acceptatiespeech vertelde hij over een van zijn doorbraken tijdens het onderzoek naar dit proces. ‘There was great excitement in my little basement room in Groningen.’

Frits Zernike: ‘Inventing new connections’

Terwijl in de Stadsschouwburg een volle zaal wachtte op het begin van een operavoorstelling, beklom de toenmalige rector magnificus Pieter Jan van Winter vanuit het publiek het podium voor een mededeling: ‘Groningen heeft een Nobelprijswinnaar’.

Een staande ovatie volgde. Zo verliep op 4 november 1953 de eerste publieke bekendmaking dat de Nobelprijs voor natuurkunde aan Frits Zernike was toegekend. Zernike kreeg de Nobelprijs voor Natuurkunde voor zijn uitvinding van de fasecontrastmicroscoop. Dit instrument maakt het mogelijk cellen en bacteriën te bekijken terwijl ze nog in leven zijn. Voor het eerst kon nu het proces van celdeling onder de microscoop worden bestudeerd. Het nieuwe universiteitsterrein, dat vanaf 1970 werd ontwikkeld, werd naar hem vernoemd. Het motto van de Zernike Campus, ‘inventing new connections’, is afgeleid van de toespraak die Zernike hield bij de aanvaarding van de Nobelprijs. Zernike sprak destijds over het belang van goede samenwerking en het leggen van nieuwe connecties om baanbrekend werk te kunnen verrichten. Een motto dat meer dan ooit van toepassing is op de Zernike Campus en Groningen als City of Talent.