Van Adorp tot Zuurdijk , Groninger kerken

1648-1815

Torenwachter betrapt bij hakken doorgang naar kerk

De torenwachter van de Martinitoren woonde tot 1853 in wat later ‘De Kosterij’ werd. Over de wijze waarop hij vanuit zijn woning op zijn werkplek moest komen, was torenwachter Cornelis Auwerda niet zo te spreken. In 1782 meende hij het probleem op te kunnen lossen door een ‘een gat te hakken in een der pilaren der kerke’. Helaas voor hem werd hij op heterdaad betrapt en door burgemeesters en raad bestraft.

De Grote Markt en de Martinitoren in de achttiende eeuw, met aan de voet van de toren de woning van de torenwachter. Tekening: J. Bulthuis, 1782
De Grote Markt en de Martinitoren in de achttiende eeuw, met aan de voet van de toren de woning van de torenwachter. Tekening: J. Bulthuis, 1782

Cornelis Auwerda wordt in 1731 in Groningen geboren. Zijn vader Crijn is kort te voren door burgemeesters en raad ontslagen als hoofd van de Groninger politie wegens ‘onbetaemelijcke practiquen’. Tot Auwerda’s praktijken behoorde de samenwerking met enkele prostituees en het in de val lokken en afpersen van zijn collega, de schout van Noorddijk.

'Geen suijper'

Het strafblad van vader Auwerda verhindert niet dat Cornelis de letterlijk hooggeplaatste functie van torenwachter krijgt. Hij voldoet aan de gestelde criteria: ‘een eerlijck, wel befaemt man, geen suijper’ en lid van de ‘gemeente van de waere Gereformeerde Christelijke religie’. Van de torenwachter wordt ook enige muzikaliteit verwacht. Kennelijk schiet Auwerda daarin wat te kort want bij zijn aanstelling wordt de voorwaarde gesteld dat hij zich zal oefenen in de muziek en de repetities van het ‘musiq collegie’ zal bijwonen.

Vuil

Cornelis krijgt met zijn echtgenote Roelina Peerlcamp en hun kinderen de beschikking over de ambtswoning aan de voet van de toren. In 1776 bevindt zich deze in zo’n slechte staat dat Auwerda het stadsbestuur vraagt om verbetering. De voogden van de Martinikerk krijgen van burgemeesters en raad toestemming er iets aan te doen. Dat dit hard nodig is, blijkt op 7 september als zij ‘in de beddeschotten ongedierte van wandluisen’ aantreffen. Overigens valt op de netheid van Cornelis Auwerda ook wel wat aan te merken. Die mening hebben in elk geval de burgemeesters en raad, die hem een reprimande geven wegens het ‘vervuilen’ van de toren.

Geklop

De ernstigste aanvaring met het stadsbestuur doet zich voor in 1782. Op zaterdag 15 juni van dat jaar hoort raadsheer Wolthers bij een bezoek aan de Martinikerk ‘geklop’. Hij begeeft zich naar de torenwachterswoning, waar hij de oorzaak ontdekt. Cornelis Auwerda is aan het hakken in de westelijke pilaar van de kerk.

Maandags meldt Wolthers het geconstateerde in de vergadering van burgemeesters en raad. Deze besluiten dat burgemeester Trip en zijn ‘adsessoren’ nader onderzoek zullen instellen. Op donderdag 4 juli rapporteren zij dat Auwerda van zijn woning naar z’n ‘boegje’ een opening had ‘doorgehakt’ en ‘verdiept’. Volgens Trip en zijn assistenten heeft dit geleid tot een ‘markelijke verzwakking van het gebouw’. Uiteraard besluit het stadsbestuur het gat ‘weder als voren hegt en digt te laaten toemetselen’. Verder krijgt de boekhoudend voogd opdracht Auwerda het komende kwartaal ‘twee ducatons’ te korten, wat neerkomt op ongeveer een vijftigste deel van zijn jaarsalaris.

Opvolger

Tot slot krijgt de torenwachter te horen dat hij zich voortaan ‘stiptelijk’ heeft te gedragen en bij de eerstvolgende ‘gefundeerde klagte’ zijn biezen kan pakken. Auwerda doet zijn best en hoeft niet te worden ontslagen. Met hulp van twee zonen blijft hij tot zijn dood in 1808 als torenwachter in functie. Dan wordt hij opgevolgd door zijn tweede zoon Petrus, die bij zijn doop vreemd genoeg ‘Hofman’ als tweede voornaam heeft gekregen. Petrus Hofman Auwerda houdt het minder lang vol dan zijn vader doordat hij in 1826 overlijdt als gevolg van de dan heersende malaria-epidemie, de zogeheten ‘Groninger-ziekte’.