Stad & Universiteit

1648-1914

Theodorus van Swinderen (1784-1852): Pedagogische Filantroop

De wetenschappelijke belangstelling van Theodorus van Swinderen was meer breed dan diep. Hij staat dan ook niet bekend als een vernieuwende hoogleraar met een enorme hoeveelheid belangrijke publicaties op zijn naam. Van Swinderen had een grote voorliefde voor het herdenken van historische personen en zag voor zichzelf een belangrijke pedagogische taak weggelegd: hij zette zich in voor de ontwikkeling van een “vaderlandsgevoel” in Groningen. Zijn ambitie had uiteenlopende eerbewijzen, een eigen gedenksteen en een ridderorde tot gevolg.

Theodorus van Swinderen (1784-1852): Pedagogische Filantroop

Van Swinderen Huys. Foto: Sanne Meijer

Theodorus van Swinderen werd op 14 september 1784 aan de Martinikerkhof 10 in Groningen geboren. Hij maakte onderdeel uit van een aanzienlijke Groninger patriciërsfamilie waaruit, voorafgaand aan zijn geboorte, onder andere ook burgemeesters en regenten afkomstig waren.

Opvoeding

Omdat de pedagogiek een prominente rol heeft gespeeld in zijn leven, is ook Van Swinderen’s eigen opvoeding meermaals onderwerp van onderzoek geweest. Twee elementen die in zijn opvoeding centraal stonden waren het Kantiaanse verlichtingsdenken en een vroom christelijk moraal. De “hoge morele normen” die daaruit zijn voortgekomen zijn volgens Van Swinderen zelf de reden voor zijn onuitputtelijke inzet voor de volksopvoeding in Groningen.

Studiekeuze

In 1799 ging Van Swinderen studeren aan de universiteit van Groningen. Het duurde echter een aantal jaar eer Van Swinderen een keuze kon maken tussen natuurkunde, scheikunde, rechten, theologie en medicijnen. Uiteindelijk beperkte hij zich tot rechten en natuurkunde. In beide richtingen behaalde hij zijn doctorstitel. In zijn studententijd heeft hij zich naast zijn studie ook ingezet op heel andere gebieden. Zo heeft hij meerdere genootschappen opgericht die vandaag de dag nog steeds bestaan. Van Swinderen bleef echter, in tegenstelling tot zijn vrienden en ondanks zijn bovengemiddelde bedrijvigheid naast zijn studie, wel in zijn ouderlijk huis aan het Martinikerkhof wonen.

Hoogleraar

Na een aanstelling als academisch inspecteur (en veel aandringen) werd Van Swinderen in 1815 benoemd tot hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn streven was om hoogleraar in ofwel de filosofie ofwel de rechten te worden, maar omdat daar geen vacante posities waren werd hij hoogleraar in de natuurkunde. In deze periode trouwde hij met de barones van Merwede. Over zijn huwelijk is weinig bekend, afgezien dat het kinderloos is gebleven.

<p>Theodorus van Swinderen. Bron: Schilderij C.B. Buijs, foto Groninger Archieven (1785_16304)</p>

Theodorus van Swinderen. Bron: Schilderij C.B. Buijs, foto Groninger Archieven (1785_16304)

Ouderwetse pedagoog

Als hoogleraar wenste Van Swinderen in eerste plaats opvoeder te zijn en daarna pas deskundige. De onderwerpen van zijn colleges waren daardoor dusdanig divers en afwijkend dat veel natuurkundigen niet kwamen opdagen. Desondanks kon hij wel rekenen op studenten van andere opleidingen. De pedagogische wetenschap ontwikkelde zich in de eerste helft van de negentiende eeuw in een rap tempo, maar Van Swinderen weigerde zijn pedagogische denkbeelden aan te passen. Dat was opmerkelijk. Zijn denkbeelden raakten zo uit de tijd dat, volgens hemzelf, zijn colleges onder studenten veel lachlust opwekte.

Volksopvoeding

Van Swinderen zag in het oprichten van monumenten en gedenktekens een methodiek om de ‘onontwikkelde klasse op te voeden’. Daarom zette hij zich actief in voor het oprichten van beelden van onder andere Regnerus Praedinius, Hendrik Wester en graaf Adolf. Het ging hem daarbij niet om de originaliteit van het beeld maar om de vaderlandslievende of werkzuchtige boodschap die het uitstraalde.

Groningens Ontzet

Daarnaast is het aan Van Swinderen te danken dat de viering van het Gronings Ontzet in ere is hersteld. Jaarlijks wordt er op 28 augustus daarom ook een kleine dankrede aan Van Swinderen uitgesproken. Van Swinderen is in april 1854 in zijn woning aan de Martinikerkhof overleden. Daar heeft hij zijn hele leven gewoond. Een voornaam gedeelte van zijn nalatenschap was bestemd voor het Groene Weeshuis in Groningen. Zijn tomeloze inzet voor de inwoners van Groningen heeft hem in 1861 een gedenkteken opgeleverd. Het gietijzeren borstbeeld is momenteel op het binnenplein van het Universiteitsmuseum te bezichtigen.