1914-1945

Schoolpantoffels in Usquert

In de gemeente Usquert stond vroeger één openbare lagere school. In de jaren 1926/1927, de jaren waarin de hier volgende zaak speelt, waren op deze school één schoolhoofd en zes andere onderwijskrachten werkzaam: drie onderwijzers en drie onderwijzeressen. De school werd bezocht door ongeveer 200 leerlingen; iets meer meisjes dan jongens.

De gemeenterekening van Usquert van 1927: 'levering schoolpantoffels: 93,80.
De gemeenterekening van Usquert van 1927: 'levering schoolpantoffels: 93,80.

In de winter van 1926 hadden deze leerlingen last van koude voeten. Tenminste, als we de schoolvergadering mogen geloven. Die diende in december van dat jaar bij het gemeentebestuur een verzoek in om op kosten van de gemeente voor alle 200 leerlingen schoolpantoffels te mogen aanschaffen.

Het verzoek werd, zoals dat heet, in handen van het Dagelijks Bestuur (het college van burgemeester en wethouders) om advies gesteld en werd op 11 februari 1927 behandeld in de gemeenteraad. De voorzitter van de raad, burgemeester T.E. Welt, begint met te zeggen dat omtrent dit probleem "in de boezem van het Dagelijks Bestuur verschil van gevoelen heerscht". De beide wethouders, de heren Geerling en Kiewiet, wilden het verzoek direct inwilligen, terwijl de burgemeester zelf liever eerst een kleine proef zou willen nemen. Hij moet zich echter bij de meerderheid neerleggen en stelt dus de raad voor om het verzoek van de schoolvergadering in te willigen. 

Debat

Hierop ontbrandt in de raad een discussie over schoolpantoffels. De heer Bierema bijt het spits af. Hij is tegen een positief besluit op dit verzoek. "Misschien is hij te pessimistisch gestemd maar hij vreest dat het een janboel wordt. Hij is bang dat het niet mee zal vallen. Is er wel voldoende controle op het opbergen der pantoffels, krijgt ieder kind de zijne wel terug. Bovendien meent hij dat, de koude voeten niet door de pantoffels zullen verdwijnen." Waarom de heer Bierema werkelijk tegen het voorstel is zegt hij niet, maar de argumenten die hij hier noemt, lijken gezocht. 

De heer Anjewierden is voor het voorstel, maar niet omdat pantoffels koude voeten zouden tegengaan, de hoofdfactor is deze: "dat de pantoffels het storend geluid van klompen en schoenen niet hebben, zoodat de onderwijzers veel beter les kunnen geven". De heer Dusseldorp ziet het weer anders: "Indien dit waar is" zo zegt hij, "is het motief toch wel wat klein". 
De kosten komen natuurlijk ook ter sprake, maar ze lijken geen groot beletsel te vormen. Voor aanschaf wordt gerekend op ongeveer twee gulden per paar. Bij een gemiddelde van 200 leerlingen wordt dat dus ongeveer 400 gulden. Onderhoud en vervanging worden begroot op 100 gulden per jaar.

De heren Boerma en Dusseldorp willen graag, net als de burgemeester, eerst een proef nemen door bijvoorbeeld alleen de kleine kinderen pantoffels te verschaffen. Ook de heer Geerling wil wel eerst een proef nemen, maar dan direct met de gehele school. "Wanneer alleen aan de kleine kinderen pantoffels worden verstrekt, dan weet men nog niets van de grootere leerlingen", aldus de heer Geerling. 

Stemming

Ten slotte wordt tot stemming overgegaan. De heren Anjewierden, Geerling, Kiewiet (heeft zich niet in de discussie gemengd) en Post stemmen voor het voorstel van het dagelijks bestuur, de heren Bierema, Boerma en Dusseldorp ertegen. De burgemeester, die eigenlijk tegen het voorstel was, moet zich in de raadsvergadering van stemming onthouden, "zoodat is besloten elk schoolgaand kind van gemeentewege een paar pantoffels te verstrekken". In de bijlagen bij de gemeenterekening van 1927 lezen we dat aan P. de Boer F93,80 is betaald voor de levering van schoolpantoffels, zodat het met de begrote 400 gulden nogal meeviel.